De auto in het interbellum (1918-1940): De doorbraak van het automobilisme

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Bedrijfsautoversie van de Ford T, meestal TT genoemd.

Het was de malaise tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog in Europa, waarvan de Amerikaanse merken gebruik maakten om het Europese vasteland met hun goedkope producten te overspoelen, de T-Ford voorop. In het begin hadden zij het nog moeilijk, toen de markt werd verzadigd door 'oorlogswagens', door de Duitsers in bezet gebied gevorderde en daar achtergelaten auto's [48]. Wat de oorlog verder echter vooral teweeg had gebracht, was een enorme expansie van de productiecapaciteit van de autofabrieken, vooral in de Verenigde Staten, die na de oorlog koortsachtig naar een navenante expansie van de markt streefden [49].

De snelle groei van het wagenpark in de jaren twintig kan dan ook worden toegeschreven aan de groei van het marktaandeel van de T-Ford, die de auto binnen het bereik van de gehele burgerij bracht. In de Kampioen werd in 1930 geconcludeerd dat 'de ontzaglijke vlucht, die het automobilisme in de laatste jaren genomen heeft, voor een groot deel (is) te danken aan deze veel gesmade en geridiculiseerde Fords. Deze goedkoope en na eenige jaren door ondervinding bruikbaar bewezen wagentjes hebben de massa tot het automobilisme gebracht [50].'


Een T-Ford op een typische landweg in de Verenigde Staten.
De populariteit van de T-Ford kan vanuit verschillende factoren worden verklaard. Hij was relatief goedkoop, terwijl wat hij tekortkwam in betrouwbaarheid ruimschoots werd gecompenseerd door een uitgekiend servicenetwerk, dat continu een ruime voorraad aan reserveonderdelen gereed hield. Wat de voertuigstructuur zelf betreft,
Ford dealer begin twintigste eeuw.
werd de T-Ford gekenmerkt door een licht, maar stijf geconstrueerd chassis, waarin een krachtige viercilindermotor was gehangen. Het geheel stond hoog op de wielen en was daardoor geschikt om op slecht onderhouden wegen te rijden. Bovendien was zijn overzichtelijke technische structuur bij uitstek geschikt voor een door de gebruiker uit te voeren ombouw naar een vrachtauto, een ambulance of een autobus, hetgeen dan ook op ruime schaal gebeurde. Zo kon een autoconcept dat in zijn basisstructuur geenszins typisch was voor de autotechniek van die tijd, door de gebruikers voortdurend worden aangepast aan de eigen behoeften [51].


Het Polytechnisch Weekblad concludeerde in 1919 'dat het auto-toerisme, zooals wij dat in Holland overheerschen zien, op een gegeven tijdstip geen meerdere groeikracht zal blijken te bezitten. Maar de auto als zaken- of dienstmiddel heeft hier te lande nog slechts de beteekenis die de schrijfmachine 20 jaar geleden vervulde! Een ontzaglijk terrein ligt er braak voor een aan Europeesche verhoudingen aangepast 'Ford'-type [52].'