De auto in het interbellum (1918-1940): Garages en Bovag

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
De voorgevel van Burgers' automobielgarage en herstelplaats te Deventer in 1907.
De gewoonte om bij een hotel een garage in te richten die zich toelegde op reparaties en ravitaillering, een gewoonte die was ontstaan in de fase van de autopioniers, was "principieel onjuist", vond de ANWB. "Op het eerste gezicht is het natuurlijk wel gemakkelijk, indien men ook den wagen kan "spijzigen en drenken", op de plaats, waar passagiers lunchen, maar wij verlangen van een laadstation nu eenmaal méér. Daar moet iemand aanwezig zijn, die de banden kan nazien, de olie controleeren, de ramen even lapt enz. ... Verzorging van het motorische vervoermiddel des toeristen is een aparte zaak, die óók in handen van een vakman moet zijn!"[67]


De opbouw van een nationale garage-infrastructuur was een uiterst moeizaam proces, dat aanvankelijk werd gekenmerkt door moordende concurrentie met kortingen en "cadeaustelsels". "De autobranche was aan het eind van de jaren twintig dan ook een volkomen "wilde" branche geworden waarin vele avonturiers opereerden die beslist niet het oud-vaderlandse devies "de kost gaat voor de baat uit" in hun wapenschild voerden."


Pas tijdens de economische crisis begin jaren dertig zou, als een met de nodige heibel gepaard gaande afsplitsing van de RAI, een landelijke,


Tweede verdieping van de fabriek van Atax (Amsterdamsche Taxi Auto Maatschappij) aan de Overtoom te Amsterdam. Hier werden houten bodies vervaardigd.
kartel-achtige organisatie ontstaan (de Bovag, de Bond van autohandelaren en garagehouders) die met boeteclausules de bonafide handel trachtte te beschermen. Vooral tussen het oprichtingsjaar 1930 en het jaar 1934 groeide de Bovag onstuimig, van 745 naar 2400 leden.

Het was de Bovag die in de loop van de jaren dertig algemeen erkende vestigingseisen wist te formuleren en een leerlingstelsel voor het garagebedrijf wist op te zetten, hetgeen overigens pas na de Tweede Wereldoorlog, in 1948, tot de oprichting van de Stichting VAM (Vakopleiding voor het Automobiel-, Motorrijwiel- en Aanverwante bedrijf) zou leiden [68].