De auto na 1945: Het functionele avontuur

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

De massamotorisering leidde in de jaren zestig en zeventig ook tot een herleving van het "functionele avontuur", dat wil zeggen van het sleutelen aan de auto. De omvang van deze 'doe-het-zelf-beweging valt moeilijk te meten, maar er zijn wel indirecte aanwijzingen dat het beslist niet verwaarloosbaar was. In 1975 werd een tiende van de ongeveer 450 miljoen euro die dat jaar aan materiaal en onderdelen werd uitgegeven, aan een "kennis/vriend" betaald.


In zekere zin had de officiële garagebranche dit verschijnsel zelf over zich afgeroepen door in de jaren zestig het autowassen te automatiseren en mee te gaan in de maatschappelijke trend van de "zelfbediening". Esso introduceerde in 1963 in een nieuwe woonwijk in Amsterdam het eerste zelfsbedieningsbenzinestation, waar doe-het-zelvers in een aparte ruimte zelf hun oliepeil controleerden, bandenspanning maten, koelwater bijvulden, ruiten schoonmaakten en hun auto wasten, waarbij zij in de belendende "shop" accessoires en Esso-olie konden aanschaffen.

"Op vrije zaterdagen," citeerde Auto en Motortechniek het hoofd van het Amsterdamse Bureau Pers en Propaganda P.J. Mijksenaar, hangen uit de ramen van de woonetages fel gekleurde plastic slangen omlaag, hanteren vrouwen in lange broeken met waterlaarsjes de wonderborstel, die verkregen werd door een aanlokkelijke aanbieding van een verzendhuis in haar radio- en televisieblad. Met een ijver, die niet onderdoet voor die waarmede haar moeders de mahoniehouten meubels poetsten, politoeren gehandschoende vrouwen de 'bodies' van hun wagen. Mannen " zo van kantoorkruk of computer " ontpoppen zich als handige sleutelaars."[13]


Dat het doe-het-zelven niet tot de volkswijken beperkt bleef, bewijst de praktijkcursus 'Pech Onderweg' die de ANWB in 1961 voor leden en niet-leden ontwikkelde. Na acht jaar hadden meer dan 60.000 Nederlanders de cursus gevolgd. Op het hoogtepunt ervan, kort voordat in 1966 een dertiendelige Teleac-versie op televisie verscheen, gaven 85 "instructeurs" (gerecruteerd uit de Wegenwacht) les in meer dan 50 steden aan bijna 12.000 cursisten. In 1980, toen de 150.000ste cursist werd ingeschreven, bestond de helft uit vrouwen die het onderricht in het klein onderhoud en het verhelpen van kleine storingen verkozen boven de eveneens door de ANWB aangeboden skicursus.


Motorfiets van de Wegenwacht

De plotseling optredende storing kon echter niet worden uitgebannen met een grotere onderhoudsvriendelijkheid, een volwassen garage-infrastructuur, de veiligheidskeuringen van BOVAG en ANWB en de opbloei van het doe-het-zelven. Dit (weliswaar afnemend) residu aan technische onbetrouwbaarheid vormde in feite de kern van de naoorlogse ontwikkeling van de ANWB. Op 15 april 1946 trokken de eerste geel-zwarte motorfietsen van de Wegenwacht onder grote belangstelling van pers en overheid van het Haagse Binnenhof naar Utrecht. De exploitatie van het praatpalennet werd in 1968, één jaar voordat het aantal Wegenwachtleden de één miljoen zou bereiken, na een interdepartementale machtsstrijd aan de ANWB gegund. Wel nam het aantal pechgevallen per Wegenwachtlid voortdurend af. In de jaren veertig riep elk lid gemiddeld eenmaal per jaar de hulp in van de Wegenwacht, begin jaren zeventig was dat nog slechts 20% van de leden.