De raffinaderijen tot 1830

Van Techniek in Nederland

Versie door DvandenBrink (Overleg | bijdragen) op 22 jul 2008 om 13:31
(wijz) ←Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie→ (wijz)
Ga naar: navigatie, zoek
Interieur/fabrieksinstallaties suikerfabriek Doekoewringin.
Continentaal Stelsel


De Franse tijd, tot 1813, was zwaar geweest voor de Nederlandse raffinadeurs. De aanvoer van Ruwsuiker in Amsterdam had in 1807 nog ruim 50.000 ton bedragen, maar het jaar daarop bereikte nog slechts 9100 ton de stad, en in 1809 was de aanvoer geslonken tot minder dan 1800 ton.[11]

Door de bepalingen van het Continentaal Stelsel te verscherpen, had Napoleon in maart 1811 het handelsisolement werkelijk hermetisch gemaakt. Tropische ruwsuiker was onbereikbaar geworden voor iedereen in het Keizerrijk. Engeland, daarentegen, haalde alle rietsuiker waar het beslag op kon leggen, naar zich toe. De Franse reactie op deze suikerschaarste was om de fabricage van suiker uit bieten te ontwikkelen door middel van onderzoek, opleiding van fabrikanten en de massale aanbouw van bieten.

Al in 1747 was in sommige typen bieten suiker ontdekt die scheikundig gelijk leek te zijn aan rietsuiker, maar deze ontdekking had sindsdien maar heel beperkte aandacht gekregen. Napoleon bracht daar echter verandering in. Ook enkele Nederlandse raffinadeurs waren bereid om bietsuikerfabricag en -raffinage ter hand te nemen, maar toen na 1813 de handelsbetrekkingen met de rest van de wereld weer normaal werden, lieten zij dit alternatief onmiddellijk weer varen, zoals verderop nader zal worden beschreven.

Ondertussen was de hele bedrijfstak zwaar in de malaise geraakt en waarschijnlijk hebben veel raffinadeurs in die periode moeten interen op hun financiële reserves. Suikerraffinadeurs hoorden van oudsher tot de rijkere burgers van een stad, maar veel van hun kapitaal lag vast in voorraden ruwe suiker of onverkochte eindproducten. De aanvoer van ruwe suiker was namelijk beperkt tot enkele keren per jaar, als de ruwe suiker -vele maanden na de rietoogst op Java of in Zuid-Amerika- in Europa arriveerde. Telkens wanneer de schepen binnenliepen, kocht de raffinadeur zoveel in dat hij voor enkele maanden genoeg grondstof had. Volgens Reisig en anderen beliep het aldus vastliggend kapitaal vaak 'twee tonnen gouds.'[12]


Verval

Na het einde van de Franse overheersing duurde het nog enkele jaren voordat de aanvoer van ruwsuiker weer op gang kwam en tegelijkertijd begonnen enkele belangrijke afnemers van geraffineerde suiker, zoals Engeland en Duitse staten, invoerrechten te heffen op de Nederlandse producten. In 1816 beschreven de Amsterdamse raffinadeurs hun toestand dan ook als

'[vroeger] bloeyend, vervolgens bijna geheel vervallen [en tegenwoordig] in een staat van eenige ontwikkeling.' [13]

De zakken met bruine suiker verlaten de fabriek

Tien jaar later was de hoeveelheid aangevoerde ruwe suiker nog steeds niet overdadig. In 1827 verwerkten de Amsterdamse raffinaderijen 12-14.000 ton ruwsuiker.[14] Als men bedenkt dat er omstreeks 60 bedrijven in de hoofdstad waren, dan zal er per bedrijf, bij een gelijke verdeling van deze hoeveelheid, maar 200-250 ton zijn verwerkt. Een jaar later meldde de Amsterdamse Kamer van Koophandel inderdaad dat de hele branche ernstig in verval verkeerde.


Zwarte schimmel

Tot overmaat van ramp kregen de raffinadeurs in die jaren nog te kampen met een onverklaarbaar verschijnsel, dat hun suikerbroden bijna onverkoopbaar maakte. Donkere vlekken, stippen en strepen tastten het uiterlijk van de witte suikerbroden aan. Niemand wist waar 'het zwart in de melisbroden' vandaan kwam en hoe het kon worden voorkomen. Ten einde raad vroegen enkele raffinadeurs aan twee scheikundigen om zich over de zaak te buigen.

Na scheikundig en microscopisch onderzoek concludeerden C.M. van Dijk en A. van Beek dat het om een soort schimmel ging, die via het zogenaamde vormbakswater werd verspreid. In dat water werden de broodvormen en de gereedschappen en soms zelfs de kleren van de werklieden uitgespoeld. Het werd slechts zelden ververst en bevatte veel opgeloste suiker. Juist daarom had het vormbakswater enig nut voor de raffinadeur, want door het spoelen in dit 'vette' water kregen de suikerbroden een gladdere buitenkant dan wanneer hij de broodvormen met zuiver water schoonmaakte. Maar in de kuipen met vormbakswater troffen de onderzoekers ook dikke lagen slijm aan, wat de broedplaats voor de schimmel bleek te zijn. Toen de raffinadeurs dat voorlopig onderzoeksresultaat vernamen, hield hun medewerking vrijwel onmiddellijk op.

Tot verbazing van de twee scheikundigen was niemand meer geïnteresseerd in nauwkeuriger aanbevelingen omtrent het voorkomen van dit euvel.[15] Na 1828 is overigens nooit meer een klacht over zwarte schimmels vernomen.

Molen voor pletten van suikerriet



'Nederlandsche Handel-Maatschappij en overheid steken helpende hand toe'

De Nederlandsche Handel-Maatschappij was bij uitstek degene die door haar activiteiten de helpende hand zou kunnen bieden bij het grondstoftekort van de raffinadeurs, maar de directie had in 1825 besloten om haar ruwsuiker in Antwerpen te lossen.[16] Aan die toestand kwam een einde toen de zuidelijke provincies besloten hun eigen weg te gaan en in 1830 het koninkrijk België te vormen. Sindsdien nam de aanvoer van met name Javaanse ruwsuiker naar Amsterdam toe.

Van staatswege was overigens al wel enige steun geboden door de bouw van het hoofdstedelijk Entrepôtdok in 1828.[17] Daar kon de handel, en ook de raffinadeur, zijn aangekochte ruwsuiker opslaan zonder er meteen accijns over te hoeven betalen. Pas wanneer een partij vanuit deze bewaakte douanepakhuizen naar een raffinaderij werd overgebracht, betaalde de eigenaar het verschuldigde bedrag. Dat betekende een kredietverlening door de staat, en een ontlasting van de opslagcapaciteit van de raffinaderij. Nu hoefde er niet meer ineens een voorraad suiker te worden opgeslagen waar de raffinaderij mee moest kunnen werken tot de volgende massale aanvoer van overzee.

Ook de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die na 1830 de hele aanvoer van ruwsuiker beheerste, kwam nu aan de raffinadeurs tegemoet door vijf, soms zes keer per jaar een grote suikerveiling te houden. In 1831 verwerkten de 60 nog actieve raffinadeurs 16.000 ton suiker[18] en langzamerhand is te zien hoe de productie van geraffineerde suiker toeneemt:

[NTA]Tabel 7.3: suikeruitvoer uit Amsterdam


i ii


1834 15.000 ton

1835 20.000 ton

1836  ?? 13.000 ton

1837  ?? 4.400 ton

1838 20.000 3.700 ton

1839 27.500 11.300 ton

1840 37.000 15.000 ton

1841 39.000 15.000 ton

1842 31.000 4.600 ton

1843 30.250 3.700 ton

1844 35.000 4.900 ton

1845 42.500 2.100 ton

Kolom i: totale uitvoer van geraffineerde suiker vanuit Amsterdam Kolom ii: vanuit Amsterdam via de Rijn naar Duitsland vervoerd Bron: Reesse De suikerhandel, ii, 29.

De aangevoerde suikerbieten stort men in putten, waar ze van klei ontdaan en gewassen worden


Raffinadeurs ontwikkelen weinig dynamiek

Het kan hier slechts als een vermoeden worden uitgesproken dat door nader onderzoek zou moeten worden onderbouwd, dat er in de Franse tijd en de periode tot ongeveer 1830 een hele generatie raffinadeurs uit de bedrijfstak verdween bij gebrek aan toekomstperspectieven en sterk geslonken financiële reserves. Van de ongeveer 60 bedrijven die in 1831 nog ruwe suiker inkochten, was al een groot deel nauwelijks meer levensvatbaar De ruwsuikeraanvoer was immers jarenlang te weinig geweest om alle bedrijven van een voldoend grote omzet te kunnen voorzien. Dat had al geleid tot een uitdunning van de bedrijfstak.

Eind jaren '20 en in de vroege jaren '30 werden veel inboedels verkocht of veranderden bedrijven voor weinig geld van eigenaar en werden als pakhuis in gebruik genomen.[19]

Toen het aanbod van grondstof weer begon toe te nemen, putten diverse van de overblijvende raffinadeurs daar hoop uit en een aantal kleine, ambachtelijke bedrijven werd gerenoveerd. Er werden geen andere werkwijzen ingevoerd, het lijkt er eerder op dat het meer een kwestie was van achterstallig onderhoud: het metselwerk bij de open kookpannen werd vernieuwd en een enkele raffinadeur plaatste er een extra smeltpan bij.[20]

Het raffinadeursberoep was in de jaren '20 nog steeds een ambachtelijk vak dat veelal binnen een familietraditie werd voortgezet. Via een lange leertijd maakten knechts, pannenknechts, meesterknechts en de raffinadeurs zich het vak eigen. Al in de achttiende eeuw bereikten via het netwerk van internationale handelscontacten ook berichten over de stand van zaken in het buitenland de Nederlandse raffinadeurs.[21]

Weliswaar had elke raffinadeur zijn eigen ambachtelijke geheimen, maar informatie over andermans mooie producten en geruchten over andere werkwijzen gingen snel rond. Verder verscheen sinds de late achttiende eeuw een groeiende stroom handboeken en kleine publicaties over suikerbereiding. Vooral in Frankrijk en Engeland werd veel ruchtbaarheid gegeven aan nieuwe vindingen, ook als ze door middel van octrooien beschermd waren.

De kennis van het Frans zal in enkele van de gegoede Nederlandse raffinadeursfamilies zeker voldoende zijn geweest om dergelijke vakliteratuur te gebruiken. Toch was de bijdrage van Nederlanders aan verbetering van de raffinagetechniek gedurende de negentiende eeuw zo goed als nihil. Reisig had in zijn tijd al geconstateerd dat

'de Suiker-raffinaderijen meestal het ongeluk [hebben] gehad van lieden tot hunne meesters te hebben die zich zeer zelden ophielden met uitvindingen of wijsgeerige aanmerkingen te maken.' [22]

Karakteristiek mag in dit verband ook zijn dat er na Reisigs handboek uit 1793 geen enkele uitgebreide verhandeling over het bedrijf meer van Nederlandse hand is verschenen.

Verder is het opvallend dat er tot 1869 - het jaar waarin in Nederland de octrooiwet werd afgeschaft - omstreeks 90 octrooien zijn verleend op het gebied van de suikerraffinage, die vrijwel uitsluitend van buitenlandse oorsprong waren.[23]

Hoewel de Nederlandse raffinaderijen in 1830 niet zichtbaar veranderd waren sinds de tijd dat Reisig zijn verhandeling schreef, zijn er ook kleine aanwijzingen dat sommige raffinadeurs goed bijhielden welke buitenlandse voorbeelden navolging verdienden. Hier en daar werden thermometers gebruikt,[24] terwijl de meest handboeken nog met geen woord repten over de precieze temperatuur, uitgedrukt in graden Celsius of Fahrenheit. Het stroopontkleuringsmiddel beenzwart werd in 1824 gebruikt in de raffinaderij van Van der Masch Spakler[25] en drie jaar later werd gezegd dat dit ontkleuringsmiddel in een aantal Amsterdamse bedrijven toepassing had gevonden.[26]