Een nieuw aspect: genot in voeding

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Unilever en aardappelchips

Tot de Tweede Wereldoorlog was Unilever vooral een fabrikant van margarine en zeep. Na de oorlog breidde zij het assortiment aan producten sterk uit met onder meer toetjes, koekjes, taartjes, ijsco’s, pinda’s en frisdranken. De consument zou met de toenemende welvaart een grotere variëteit in voeding verlangen. Een nieuw product waar Unilever zich op stortte, was de aardappelchip. Het Engelse bedrijf Smiths had met veel succes in 1958 dit nieuwe product in Nederland geïntroduceerd. Diverse bedrijven volgden en Nederland nam spoedig na Amerika en Engeland de derde plaats in als chips-etend land.


Unilever startte in de jaren zestig met een omvangrijk programma voor onderzoek, productie en marketing van aardappelchips. Het onderzoek richtte zich op de aardappelen.. De prijs van deze grondstof was van belang evenals de goedkope conditionering ervan en de geschiktheid om de aardappel te verwerken. Bovendien werden tal van andere aspecten onderzocht: de fabrieksmatige productie (met name de opschalingseffecten en de continue productie), het frituren (het proces, het type olie en de apparatuur), als ook de ontwikkeling van een mooie en goedkope verpakking, die bovendien een houdbaarheid van zes maanden moest garanderen. De grote researchlaboratoria van Unilever in Engeland (Colworth House) en Nederland (Vlaardingen) werden ingeschakeld en daarnaast diverse andere Unilever bedrijven. Ook de marketing kreeg veel aandacht.


Het bedrijf richtte zich daarbij op huisvrouwen als consumenten en besloot tot de productie van knapperige chips, licht van smaak, maar die niet te zwaar op de maag lagen. Ze waren bedoeld om te knabbelen tussen de maaltijden door of ’s avonds voor de radio of tv. De zogenaamde ‘reformed sticks’ waren het resultaat. Een eerste test viel gunstig uit. Alleen het vetgehalte werd problematisch gevonden. Een proefintroductie in Rotterdam liep echter uit op een drama. Een reclamecampagne had weliswaar gezorgd voor een spectaculaire verkoop in de eerste weken, maar daarna viel de belangstelling zeer tegen. Zeshonderd interviews leerden dat de huisvrouwen de chips nog te vet vonden, niet lekker van smaak, te kleverig en onappetijtelijk van uiterlijk. Ook bleken de chips niet langer dan drie maanden houdbaar. De marktonderzoekers waren volledig verrast en klaagden over de onbetrouwbaarheid van consumenten maar moesten uiteindelijk hun eigen onvermogen erkennen. Het product was te snel op de markt gebracht en het productieproces had vooraf ingrijpend verbeterd moeten worden.


Voedsel is geen voeding meer

Wat leert deze geschiedenis ons? In de eerste plaats dat zelfs een eenvoudig lijkende vernieuwing als de aardappelchip grote investeringen vergt in onderzoek, marketing en machines. Verder is duidelijk, dat consumenten niet voor één gat te vangen is. Hoezeer de marktonderzoekers ook greep willen krijgen op de consument, regelmatig blijken zij mis te grijpen. Maar het voorbeeld van de chips legt nog een ander verschijnsel bloot. Waartoe dienden aardappelchips? Vervulden ze een functie voor de volksgezondheid? Waren ze ontwikkeld om de kwaliteit van voeding te verbeteren? Niets van dit alles. Ze waren er louter voor het plezier, een ‘tussendoortje’ of snack tussen de hoofdmaaltijden door. .


Na 1970 zouden snacks aan een opmars beginnen. In alle soorten en maten waren ze te verkrijgen: nasiballen en kroketten, koekjes en taartjes, popcorn en pinda’s, borrelnootjes en zoutjes met namen zoals Wokkels en Fuifnummers, Pretletters en Gezelletjes. Nu was snacken niet nieuw. Het verschijnsel van de broodjeszaak, de haringkar, de zuurkar, de banketbakker en de worstverkoper ging ver terug, tot in de 19de eeuw of nog eerder. De weg was in de eerste helft van de 20ste eeuw verder voorbereid door automatieken (waarvan de eerste in Amsterdam in 1902 werd geopend), cafetaria’s en snackbars met de patates frites. Maar de mate waarin de Nederlander ging snacken was nieuw. En - wat nog belangrijker is - snacken begon de rond 1950 voltooide groei naar een uniform eetpatroon in Nederland te ondergraven. De aanval op de traditionele hoofdmaaltijden werd ingezet..

De definitie van snack veranderde. De ‘tussendoortjes’ werden ‘industrieel voorbewerkte voedingsmiddelen’, die kant-en-klaar te koop zijn. Voor de consumenten kregen ze in menig geval de status van volwaardige maaltijd of maaltijdcomponent.. Maaltijden werden snacks en snacks werden maaltijden.


Tegelijkertijd ontstonden, naast het snacken, andere varianten op de in de jaren vijftig nog bestaande, uniforme eetcultuur. Consumenten gingen met hun eetpatroon hun levensstijlen uitdrukken. Marktonderzoekers onderscheidden telkens nieuwe groepen met eigen smaken en voorkeuren: jongeren, ouderen, kostwinners, vrouwen, mannen, kinderen, pubers, jong-volwassenen, mensen met hoge inkomens en met lage inkomens, sporters en zo meer. Onderzoek naar wie snackte en naar wat, waar en wanneer, resulteerde in de ontwikkeling van diverse ontbijt-, lunch-, sport-, dessert- en ontspanningssnacks. Wat betekent deze ontwikkeling voor de kwaliteit van onze voeding?