Het assortiment, de seizoenen en de slanke lijn

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Het beeld van de vijftiger jaren

Nieuwe welvaart en een nieuw aanbod van aanlokkelijke eetwaren hadden zo tussen 1955 en 1965 de voorwaarden geschapen voor een fundamentele wijziging in de terughoudende omgang met voedsel. De kook- en eetgewoonten van voor de oorlog golden toen als ‘modern’ en werden door de generatie die opgroeide in de jaren vijftig pas achteraf als zuinig en (al te) eenvoudig ervaren.

Het naoorlogse standaardmenubestond uit aardappelen, groente met een papje en ‘lapjes en jus’, aanvankelijk gaargesudderd op ‘het kolenfornuis’.[7]

Op zondagen werd de warme maaltijd uitgebreid met soep en een toetje (zelfgekookte pudding of pap van bijvoorbeeld griesmeel). Het maaltijdenpatroon omvatte voorts twee broodmaaltijden per dag en koffie en thee (met een koekje) tussendoor. Kookboekjes van toen brachten ‘moeders in bloemetjesjurken met pofmouwtjes en schort’ in ‘de kleine keukens van de jaren vijftig’ in beeld. Van dat alles werd in dit nieuwe tijdvak afstand gedaan. De ‘nette armoe’, de ‘saaie soberheid’ en de ‘onversierde utiliteit’ verdwenen.[8]

Bijdrage van voedingsmiddelen aan het energieverbruik in Nederland in de periode 1936-1975.


Aandeel van voeding in het huishoudbudget daalt

Het inkomen steeg sneller dan de uitgaven aan voedsel. Werd in 1890 nog ongeveer 50% van het huishoudbudget aan voeding besteed, in 1966 was dat gedaald tot gemiddeld ongeveer 30%. In gezinnen met een inkomen boven het gemiddelde werd zelfs maar 22% van het inkomen uitgegeven aan voedsel.[9] Daarbij verschoven de uitgaven in de richting van meer luxueuze voedingsmiddelen in plaats van de traditionele, goedkope producten. Een dalend aandeel van brood, grutterswaren, rijst en aardappelen ging gepaard met een stijgend aandeel van vetten en olie, suiker, groente en fruit, vlees, bier en gedestilleerd. In energiepercentages uitgedrukt geven de veranderingen in de consumptie van voedingsmiddelen tussen 1936 en 1975 hetzelfde beeld (zie grafiek 4.1, vergelijk ook tabel  in hoofdstuk 3).


Maaltijdenpatroon verliest uniformiteit

Het maar pas totstandgekomen uniforme maaltijdenpatroon voor geheel Nederland begon zich onder invloed van al deze maatschappelijke veranderingen opnieuw te wijzigen. Nieuwe differentiatie en versplintering van de markt was een resultante van dit proces.[10]


Hoe kon dat gebeuren?

Huisvrouwen beschikten over een ruimere beurs.[11] Ze durfden daardoor eens wat anders en duurders te kopen en te koken dan de traditionele maaltijd, aangemoedigd door kookboeken en culinaire rubrieken in kranten en damesbladen. De aansporingen tot het uitproberen van iets nieuws in de keuken werden steeds dringender. Zo adviseerde het blad Margriet in 1951 nog maar zesmaal variatie in de maaltijden aan te brengen, terwijl dat in 1975 vierentwintig keer het geval was.[12]

Vrouwen voelden zich niet meer verplicht de ingrediënten altijd vers en onbewerkt te kopen, zelf schoon te maken, te snijden en te bereiden. Het odium van luiheid op het gebruik van industrieel bewerkt, gebruiksgereed voedsel verdween. De ‘aanval’ van het kant en klare assortiment op het zelf bakken en braden was geopend. De vrije zaterdag, sinds 1962, vroeg om een andere invulling van het weekend, begeleid door een lossere omgang met maaltijden en etenstijden.

Een andere houding tegenover voedsel werd ook in de hand gewerkt door de toenemende sportbeoefening en deelname aan hobbyclubs. Kinderen en ouders waren niet altijd meer op hetzelfde tijdstip present voor de warme maaltijd, om van ontbijt en lunch maar te zwijgen. De positie van ouders en kinderen ten opzichte van elkaar wijzigde zich ook meer in het algemeen. De jeugd had meer geld en ging haar eigen gang, waarbij al snel snacks uit de muur en coca-cola hoorden. Lust tot experimenteren en zoeken naar alternatieven en avontuur in de keuken binnen- en buitenshuis, lagen in het verlengde van deze maatschappelijke wijzigingen. In deze decennia ontstond ook een gevarieerd scala aan eetgelegenheden, met voor elk wat wils.[13]

Het verbruik van voedingsvetten E.E.G.-landen in 1966.

Over de grens

Maar er was nog meer. De welvaart moedigde aan tot reizen. Tochtjes naar buiten en vakantiereizen naar het buitenland raakten massaal in zwang, nu het bezit van een auto meer algemeen werd.[14] Culinair journaliste Wina Born schreef over kamperen en koken in de landen rond de Middellandse Zee en noodde tot kennismaking met de buitenlandse keuken ter plekke.[15]

Andersom brachten de hier recent gevestigde groepen buitenlanders de Nederlanders in contact met de eigen keukens door het opzetten van distributiekanalen voor onmisbare ingrediënten en het beginnen van restaurantjes. Indische repatrianten van vlak na de oorlog en Chinezen zetten de toon en vele nationaliteiten volgden.


Het nieuwe assortiment slaat aan

Naast de producenten speelden ook de zelfbedieningswinkels en ' supermarkten in op de veranderingen in smaak en cultureel klimaat door de samenstelling en uitstalling van het voortdurend veranderende assortiment. Ze presenteerden de thuiskomers na de vakantie producten uit populaire reisbestemmingen. Uit Italië, bijvoorbeeld, werden pasta’s en (diepvries)pizza’s geïntroduceerd, die sinds de jaren zeventig en tachtig de aardappelen als basiselement van de maaltijd dreigden te verdringen. [16]

Sneller transport maakte de aanvoer van verse ingrediënten vanuit steeds verder weg gelegen streken mogelijk. Daardoor vervaagden de seizoensinvloeden op de maaltijd nog sterker dan door inblikken en invriezen al het geval was geweest: in Nederland ontstond een wereldkeuken.

Distributeurs slaagden er zelfs in de hier te lande ongebruikelijke gewoonte van het wijndrinken - bij de warme maaltijd en daarbuiten - te populariseren, te beginnen met de Franse Pinard van Albert Heijn. De stijging van de wijnconsumptie per hoofd van de bevolking was het meest spectaculair tussen 1960 en 1975: van 2,6 naar 8,7 liter per jaar, waarna het verbruik min of meer constant bleef.[17]

Landelijke (collectieve) reclamecampagnes maakten slim gebruik van de nieuwe trends onder het publiek. Traditionele producten zoals kaas konden volgens het Nederlands Zuivelbureau behalve op de boterham, ook heel goed als fondue worden gegeten. Tussen 1963 en 1976 werd de campagne ‘kaas uit het vuistje’ een enorm succes, vergelijkbaar met de goede resultaten van de slogan ‘melk is goed voor elk’ uit de jaren dertig. Het dalende verbruik van kaas als broodbeleg, dat samenhing met het evenzeer dalende broodverbruik van na de oorlog, was alarmerend voor de afzet en noopte tot de trouvaille van de toepassing van kaas als snack.

In de late jaren zeventig probeerde het Productschap voor Pluimvee en Eieren Nederlanders van het traditionele idee af te helpen dat kip alleen voor de zondag was, en niet zonder succes.[18]

De maaltijdschijf, zoals die in 1981 werd bedacht door de Voedingsraad. Boodschap: Eet veel plantaardig voedsel en wees matig met vet.


Gemak

Naast variatie, luxe en lekker van allerlei soort werd gemak belangrijk. Er kwamen convenience foods en meer snacks voor verschillende doelgroepen, gelegenheden en momenten. Droge soepen en sauzen, kortkokende rijst en macaroni, vlees, groenten en kant en klare maaltijden in blik of pot (Hoy braadworstjes, Conimex nasi goreng, Heinz witte bonen in tomatensaus, Hak appelmoes en Nutricia baby- en kleutervoeding) stonden ter beschikking van het gezin, thuis of op vakantie.(19)Voorgekookt voedsel bood gemak door de week en in het weekend op de camping.

Daarbij paste kant en klaar gemarineerd vlees voor op de barbecue, sinds de jaren tachtig dé Amerikaanse gezelligheidstrend voor het buitenleven. Ook voor de sauzen zorgden de fabrikanten, die behalve tomatenketchup nog vele varianten wisten te bedenken. De caravankeuken met koeling bood nog meer comfort in de natuur.[20] ‘Maak het u gemakkelijk thuis’ riepen de producenten vrouwen en mannen met de kooktaak of -hobby toe. Diepvriesgroenten en -frites en pasta uit het pak werden populair. Ook de zuivelfabrikanten boden gemak: ze voegden kant en klare toetjes aan het al ruime assortiment van pap-, yoghurt- en vlasoorten toe.


Gezondheidsbedenkingen

De nieuwe luxe en overdaad aan tafel, al snel vanzelfsprekend, riep aanvankelijk slechts sporadisch bedenkingen op onder professionals van verschillende aard. In de jaren zeventig nam ook onder sommige groepen consumenten de kritiek op de overdaad toe en kwam ‘natuurlijk en gezond’ voedsel - onbespoten en liefst onverpakt - in zwang.[21]

Anderen aten gewoon door zoals ze zojuist gewend waren geraakt. Desondanks wogen overwegingen van gezondheid ook onder deze groepen steeds zwaarder.[22]

Kwesties van vet en overgewicht werden niet uitsluitend meer door voedingskundigen besproken, zoals in de jaren vijftig, maar brachten producenten en consumenten ertoe nieuwe wegen in de voedseljungle te zoeken. Fabrikanten kwamen met halva, mager en light, ter vervanging van de volle en zoete varianten. De slanke lijn, al eerder nastrevenswaardig om redenen van schoonheid en matigheid, werd nu verbonden aan gezondheid.