Snacks; van tussendoortjes naar graascultuur

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Van de grote steden in West-Nederland naar nationale trend

Buitenshuis snacken heeft een lange traditie wanneer we denken aan verschijnselen als de haringkar, de zuurkar, de banketbakker en de worstverkoper. De snackmarkt droeg een sterk lokaal stempel, al verspreidden bepaalde snacks en typen verkooppunten zich wel van de ene plaats naar de andere. Zo vonden de rond 1850 in Amsterdam ontstane broodjeszaken met hun broodjes pekelvlees en broodjes halfom snel navolging in de grote steden in het westen van Nederland. Buiten het verstedelijkte Westen, daarentegen, vonden ze tot aan de jaren vijftig van de twintigste eeuw vrijwel geen ingang.

Na de Tweede Wereldoorlog verspreidde het buitenshuis snacken zich over het hele land; snacks, snackbereiding, snackdistributie en snackconsumptie verloren hun plaatselijke karakter. In de jaren zestig en zeventig werd het ‘eten uit de muur’ populair als onderdeel van de trend van het buitenshuis eten.[1]


Definiëring

Aanvankelijk was een snack een ‘tussendoortje’. Een dergelijke definitie heeft slechts zin zolang er een duidelijk onderscheid is met de hoofdmaaltijden. Op het moment dat ‘tussendoortjes’ hoofdmaaltijden worden en hoofdmaaltijden tussendoortjes, zijn snacks en snacken moeilijk te definiëren.[2] Voedingsdeskundigen menen dat we ons thans in deze situatie bevinden.

Ze spreken van een ‘graascultuur’, waarin de consument zijn voedsel via ongeregelde eetmomenten en -plekken bij elkaar ‘graast’ en waarin snacks een belangrijke rol spelen.[3] Dit is een grote verandering in de Nederlandse eetcultuur. Het patroon waarbij Nederlanders niet meer dan drie maaltijden per dag nuttigden, is hiermee doorbroken. Deskundigen onderkenden dit voor het eerst aan het einde van de jaren tachtig.

Deze zusters tonen hun interesse voor de nieuwe chips bij een stand op een voedingsbeurs in 1962.

Nog tot in de jaren zeventig verwachtten marketingdeskundigen dat de historisch gegroeide Nederlandse eetcultuur van drie maaltijden per dag[4] een blokkade zou zijn voor de opmars van snacks in Nederland.[5]

Voedingsdeskundigen verstaan onder snacks tegenwoordig industrieel voorbewerkte voedingsmiddelen die kant en klaar worden aangeboden en die voor consumenten in menig geval de status hebben van volwaardige voeding naast of in plaats van de bestaande hoofdmaaltijden.

Hoewel zoetwaren als drop, [6] koekjes en chocolade een belangrijke rol speelden bij de totstandkoming van de graascultuur en Nederlanders per hoofd van de bevolking meer koekjes, banket en koek consumeren dan buitenlanders,[7] zullen we desondanks aan deze producten geen aandacht besteden. ‘Hartige’ snacks als kroketten en zoutjes zullen daarentegen wel veel aandacht krijgen. Ook kroketten en andere cafetaria-snacks zijn lekkernijen die nergens anders zoveel worden geconsumeerd als in Nederland. Zij stonden aan de basis van het ‘eten uit de muur’, een belangrijk element in de snackcultuur van Nederland.

Snacks veranderden van ‘tussendoortje’ en ‘zoutje’ naar maaltijd supplement en maaltijdvervanger, en van enkelvoudige, relatief simpele producten naar meervoudige complexe producten die aan tal van eisen en voorwaarden dienden te voldoen. Zij vormen een belangrijk element in wat we de graascultuur genoemd hebben, waarin de scheidslijnen tussen maaltijden en snacks vervagen. Maaltijden worden snacks en snacks worden maaltijden.

Aan het einde van de jaren negentig leveren snacks als maaltijdsupplementen en -vervangers de Nederlanders gemiddeld 30% van de benodigde voedselenergie (calorieën/joules); de verwachting is dat dit in het begin van de eenentwintigste eeuw zal zijn gestegen tot 50%.[9]


Eisen

Om succesvol te zijn, dienden ontwikkelaars van snacks in de jaren tachtig rekening te houden met de volgende consumenteneisen: de ongewenstheid van (chemische) additieven, een lage energiewaarde, minimale vetgehalten, beslist geen verzadigde vetten, een minimaal zoutgehalte; snacks moesten smakelijk, gezond, veilig, voedzaam, uitnodigend, natuurlijk en lang houdbaar zijn.[8]


Van snackbar naar thuisconsumptie

Cafetariasnacks als kroketten zijn te beschouwen als bouwstenen voor deze ontwikkeling. De diffusie van de kroket van snackbar naar bedrijfs- en sportkantines, cafés en overige horecagelegenheden legde de basis voor een nationale, snackmarkt en snackcultuur in Nederland. De snackbar fungeerde als proefmarkt hierbij. Via de supermarkt kwamen de diepgevroren cafetariasnacks vervolgens terecht bij de huisgezinnen. De thuisconsumptie van cafetariasnacks bevorderde de acceptatie van nieuwe thuissnacks als chips en borrelnoten.

Uit het voorgaande blijkt dat snacks van belang zijn voor het begrijpen van veranderende eetgewoonten en dat de cafetariasnack één van de wegbereiders was van de Nederlandse snackcultuur. Bij de totstandkoming van de huidige graascultuur speelde het aanbod van nieuwe producten een dynamische rol. De uitkomsten van productontwikkeling werden mede bepaald door de consumenten. Hoewel marketingexperts in de jaren vijftig en zestig van mening waren dat consumenten geen actieve en directe ontwerprol hadden - en die ook niet dienden te krijgen -, bleken consumenten wel degelijk een belangrijke rol te spelen bij het ontwerp en op de markt brengen van snacks. Daarmee waren consumenten medeproducenten van de nieuwe graascultuur.