Voedingsmiddelen, ingrediënten en toevoegingen

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Het 'componeren' van een specifieke geur gebeurde bij een aantal bedrijven in Nederland aan het odeur-orgel (1950).

Twijfel aan fabrieksvoedsel

In 1973 verscheen het boek Voedsel in Nederland. Gezondheid, bedrog en vergif.[1] Daarin stelden de auteurs, een schrijverscollectief van de Bond van Wetenschappelijke Arbeiders (BWA) onder redactie van Lucas Reijnders en Rob Sijmons, een aantal kritische vragen. Deze waren gericht aan producenten en verhandelaars van voedsel, aan de overheid en aan het consumentenpubliek zelf. De schrijvers twijfelden aan de goede bedoelingen van (sommige) producenten en distributeurs. Was de levensmiddelenproductie eigenlijk wel ‘afgestemd op een goede - gezonde en smakelijke - voeding’ of was er iets anders aan de hand?

Voorts waren ze van mening dat aan de effectiviteit van het overheidsbeleid dienaangaande van alles schortte en dat de invloed van consumenten op de voedingsmiddelenmarkt te gering was en versterkt diende te worden. Van fabrieksvoedsel niets dan onheil, zo luidde de boodschap van Reijnders en Sijmons.

Consumenten figureerden in hun ogen als slachtoffers, terwijl producenten en handelaars als profiteurs werden voorgesteld. De gezondheid en eetlust van eters zou worden bedreigd door het overmatig gebruik van additieven en het onnodig componeren van voedsel.

Producten waren in hun onbewerkte staat immers veel gezonder, dat wil zeggen: ze zouden meer voedingswaarde bezitten. De overheid deed middels de Warenwet wel iets, meenden ze, maar niet voldoende.

Het ontbrak consumenten bovendien aan het nodige voedselbewustzijn. De komst van gemaksvoedsel (convenience food) uit Amerika, waar het al dertig procent van de markt uitmaakte en de primaire producten als brood, melk, groente en fruit had verdrongen, was totaal overbodig. De industrie propageerde dit type voedsel immers niet meer als ‘noodvoorziening’, maar als dagelijks voedsel. ‘Niet gezond waarschijnlijk’, meenden de auteurs. Bejaarden en andere kwetsbare groepen moesten die producten maar liever niet eten.

Voorts wezen ze op de trend van imitatie. Synthetische producten van goedkope grondstoffen waren van slechtere kwaliteit, maar leverden grotere fabriekswinsten op. KlopKlop (imitatieslagroom), bestaande uit suiker, plantaardige olie, eiwit en emulgeermiddelen, was een dergelijk product. Ten slotte kon ook de verpakking nadelig uitwerken op de prijs en de gezondheid.[2]


Onderdeel van een grotere beweging


Deze kritische geluiden kwamen begin jaren zeventig niet geheel als een donderslag bij heldere hemel. Het geruchtmakende rapport van de Club van Rome over de eindigheid van energiebronnen in de wereld was net verschenen en een onstuimige nieuwe milieubeweging was in opkomst. In 1972 was in Boxtel De Kleine Aarde van start gegaan, eveneens op initiatief van een collectief dat alternatieven bood voor een samenleving waarin de voordelen van industrialisatie leken te zijn omgeslagen in gevaren voor milieu en persoonlijke gezondheid.

Tevens ontstond het Lavo (Landelijk Voedseloverleg, waarin onder meer Milieudefensie participeerde), dat bij ludieke acties ‘vieze vorken’ uitdeelde aan voedingsmiddelenbedrijven die het met de voedselkwaliteit en de belangen van de consument niet zo nauw zouden nemen.

Ook de Consumentenbond was alerter gaan reageren op praktijken van producenten, die neerkwamen op een te kwistig gebruik van bestrijdingsmiddelen en additieven.[3] De roep om een leven op het platteland, ‘natuurlijk voedsel’ en een ‘chemievrij’ bestaan, klonk steeds luider en enkele pas gevormde gedreven groepjes trachtten dit doel in leef- en werkgemeenschappen in de praktijk te brengen.

Zo raakte de (onbespoten) zelfvoorziening weer in de mode en transporteerde de Hobbitstee (1969) vanuit Wapserveen in Drenthe ongefluorideerd drinkwater naar Amsterdam.[4] Het boek van Reijnders en Sijmons stond dus niet op zichzelf, maar paste in een golf van manifestaties van onvrede met het assortiment en de manier waarop dat in de voedingsmiddelenketen tot stand kwam.

Onder andere de vereniging Milieudefensie ijverde voor meer en betere informatie voor de consumenten op voedselgebied.

Niet alleen wetenschap en overheid reageerden op deze en vergelijkbare kritische activiteiten, ook het bedrijfsleven nam deze serieus. Zo stelde Unilever naar aanleiding van de publicatie van Voedsel in Nederland een gelijknamige werkgroep in, die het boek pagina na pagina becommentarieerde. De kritiek op gemaksvoedsel ontlokte de werkgroep bijvoorbeeld de opmerking dat ‘niet wordt stilgestaan bij het sociologische feit dat door convenience foods de mens meer vrije tijd heeft gekregen voor andere taken dan voedselbereiding, vooral de vrouw’, en ‘(...) eveneens wordt door convenience foods de bejaarde mens geholpen in een stuk menselijke problematiek’.[5]

Voedsel, dat in Nederland in de jaren zestig een weinig besproken onderwerp was omdat de meeste problemen leken te zijn opgelost, werd ineens een maatschappelijk bijzonder relevante zaak. De kwaliteit van voedsel kwam net als aan het begin van de twintigste eeuw volop ter discussie te staan. De vele publicaties over deze onderwerpen uit de jaren zeventig en tachtig vertegenwoordigden (deels) verschillende standpunten van belangengroepen en getuigden van de nieuwe commotie over voedselkwaliteit.



Toevoegen van hulpstoffen onderwerp publiek debat

Vooral het thema additieven gaf aanleiding tot een langdurig publiek debat tussen verontruste en georganiseerde consumenten, wetenschappers in dienst van verschillende organisaties en beleidsmensen, hetgeen uiteindelijk uitmondde in technologische en toxicologische richtlijnen van de Voedingsraad en aanpassingen in de Warenwet.

De Voedingsraad onderscheidde in haar advies voor regulering drie probleemgebieden: 1. de toevoeging van hulpstoffen en essentiële voedingsstoffen; 2. verontreinigingen als gevolg van de productie, fabricage of distributie; 3. de veranderingen in de samenstelling van voedingsmiddelen die deze processen kunnen teweegbrengen.[6] Hulpstoffen vergemakkelijken de processen van productie en bereiding of maken de voedingsmiddelen aantrekkelijker door kleur, geur of smaak. Met essentiële voedingsstoffen worden vitamines en andere micronutriënten bedoeld, terwijl verontreinigingen (contaminanten) betrekking hebben op restanten van bespuiting van gewassen en van diergeneesmiddelen en groeihormonen.

Ook binnen de EEG kwamen richtlijnen voor te toepassing van additieven en ten slotte de verplichting tot vermelding van E-nummers op de verpakking. Nederland nam in 1990 deze verplichting over.[7]




Het doel van dit hoofdstuk is dieper in te gaan op enkele aspecten van het wetenschappelijk onderzoek naar en de productie van hulpstoffen en micronutriënten, zoals vitamines, enzymen, conserveermiddelen en geur- en smaakstoffen. Tevens komen de reacties van consumenten aan bod. Het wetenschappelijk onderzoek werd verricht binnen en buiten bedrijven in (toegepast) wetenschappelijke instellingen. De kennis die dit opleverde, leidde tot de mogelijkheid nieuwe ingrediënten te produceren die veelal in zuivere, gesynthetiseerde vorm konden worden toegeleverd aan de voedingsmiddelenindustrie. De ingrediëntenproductie groeide daarmee in dit tijdvak uit tot een omvangrijke industriële bedrijfstak op het grensvlak van de chemische en de voedingsmiddelenindustrie. Acceptatie of verwerping door het publiek bleek onder meer uit de aankoop en consumptie van de nieuwe producten en de toe-eigening van de wetenschappelijke concepten.