Vroege autogeschiedenis (tot 1914): De auto als avonturenmachine

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Autorijden was in de pioniersfase een technisch avontuur en vergde de nodige organisatie en improvisatie.
De met veel publiciteit omgeven races die vanaf 1895 in alle westerse naties de komst van de auto aankondigden, benadrukten de rol van de auto als een "avonturenmachine", en wel in drie opzichten.

Primair was aanvankelijk het avontuur in de tijd: de prikkelende combinatie van angst en genot in de ervaring van snelheid en snelheidsverandering. Vanuit dit perspectief was autorijden verbonden met persoonlijke moed en vaardigheid, en het nemen van risico's.

Al snel kwam daar een avontuur in de ruimte bij: het toeren rond de steden en verder weg, naar historische en natuurlijke bezienswaardigheden, zonder vast reisschema, gekoppeld aan de bereidheid zich te laten verrassen door mooie doorkijkjes, onverwachte ontmoetingen en andere geneugten die de spanning van de persoonlijke ontdekkingstocht moesten verhogen.


De heer Eysink beklimt in den Holland-Engeland-Rit in 1913 foutloos den beruchten 'Kop-Hill' en won den allereersten 'Motor-Beker' voor de beste prestatie van een Nederlander in het buitenland.
Ten slotte was er het functionele avontuur: de
W.K.W. Matthes uit Amsterdam met zijn Peugeot bij pontje over de IJssel bij Brummen.
bereidheid om onderweg vanwege een panne te moeten stoppen, de prikkeling van de technische uitdaging van de meestal gemakkelijk op te sporen en te repareren defecten die een zekere kennis van het automobiele mechaniek vooronderstelden.

Het was dit, vooral mannen aansprekende amalgaam van avontuurlijkheid dat aanvankelijk als "autosport" werd gedefinieerd, een definitie die overigens niet vastlag en in de tijd qua samenstelling veranderde en ook per land verschillend werd ingekleurd, zowel door de toeschouwers als door de automobilisten zélf [6].