Belastingwetgeving als blokkade voor innovatie

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Men zou het niet verwachten, maar de komst van de eerste meel- en broodfabriek had alles te maken met een verandering in de belastingwetgeving: in 1855 werd de wet op het gemaal afgeschaft.

De geschiedenis leert dat technische ontwikkeling en wetgeving veel met elkaar te maken hebben. Ook in dít geval. De wet op het gemaal reguleerde de belasting op meel. Een dergelijke belasting bestond al van oudsher, aanvankelijk alleen in de vorm van plaatselijke verordeningen. Vanaf de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813 kwam er ook nationale wetgeving. Over elke kilo rogge- of tarwemeel werd bij de korenmolen belasting geheven en de overheid zag erop toe dat niemand maalde zonder toestemming.


Nu trachtte de korenmolenaar als het even kon onder die belasting uit te komen. De overheid moest daarom scherpe maatregelen nemen en een legertje belastingambtenaren op de been houden. Zo waren korenmolenaars verplicht een precieze plattegrond van hun molen, schuren, loodsen en woningen af te geven. Bij een eventuele huiszoeking moest de belastingambtenaar geheime bergplaatsen en mogelijke smokkelroutes van graan, waarover geen belasting was betaald, kunnen opsporen,. Behalve voor de gemoedsrust van de molenaar, had de wetgeving ook gevolgen voor de hele bedrijfsvoering.


Een grootschalige productie was niet mogelijk, want iedere zak graan moest in elke molen traceerbaar zijn. Het graan werd dan ook zak voor zak gemalen tot meel. Meel mocht niet worden gezuiverd, niet opnieuw gemalen voor fijnere broodsoorten, niet verhandeld door de molenaar en zo meer. Kortom, de strenge wet op het gemaal was afgestemd op het traditionele kleinbedrijf, frustrerend voor de korenmolenaar, maar eveneens voor degene die een meel- en broodfabriek wilde oprichten. Dat werd overigens ruimhartig erkend door regering en parlement.


Ook in een ander opzicht stond de wet in een kwaad daglicht: zij belastte de eerste levensbehoeften van de bevolking. Brood behoorde immers met aardappelen, tot het hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding. Hoewel de wet regelmatig onder vuur lag, kwam het maar steeds niet tot een een afschaffing ervan.. De staatsfinanciën lieten dat niet toe: Nederland betaalde nog in de 19de eeuw de tol uit een ver en glorieus verleden..

De beroerde staatsfinanciën waren namelijk deels een erfenis van de Gouden Eeuw. De oorlogen ter verdediging van de positie van de ‘Oude Republiek’ in de wereldeconomie hadden in de 18e eeuw handen vol geld gekost en waren gefinancierd door de hoge burgerij. De staat moest die schulden nog steeds aflossen. Ook de ‘steun’ van de Fransen tijdens de Bataafse en Franse tijd (1795-1813), toen Nederland een eenheidsstaat werd, was niet kosteloos geweest. Weer had de staat grote sommen geld moeten lenen.

Daar kwam tenslotte nog bij, dat de schimmige boekhoudkundige praktijken van Koning Willem I (1813-1840) en de oorlog met België (1830) bijna hadden geleid tot een staatsbankroet. Dit alles had erin geresulteerd dat rente en aflossing van de staatsschuld tussen 1835 en 1855 rond de 60% (!) van de totale staatsuitgaven lagen (zie hoofdstuk 7). Daarna begon dit percentage pas te dalen. De staatsfinanciën waren toen ingrijpend gereorganiseerd en bovendien waren de inkomsten uit de koloniën toegenomen. Er kwam ruimte voor een herziening van de belastingwetgeving.