Bietsuiker in het buitenland

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Doorsnede van de productielijn van suiker
Opleving in Frankrijk en Duitsland


Uit de berichten die Nederland in de jaren '30 bereikten, kon men opmaken dat in Frankrijk en Duitsland de bietsuikerindustrie aan een opleving begonnen was. Na het einde van het Napoleontische Rijk was ze in Duitsland zo goed als verdwenen. In Frankrijk hadden alleen enkele hardnekkige adellijke grondbezitters en landbouwkundigen de teelt en verwerking van suikerbieten voortgezet. Langzamerhand slaagden zij erin om het rendement van de productie te verbeteren.[96]

Rond 1830 konden deze voormannen duidelijk laten zien dat het werkelijk een winstgevend bedrijf was. In de ogen van anderen bleef het niettemin een kunstmatig in leven gehouden industrie. In zekere zin was die opmerking terecht, want van een open concurrentie tussen biet- en rietsuiker was geen sprake. Terwijl de rietsuikerprijs altijd werd verhoogd met een invoerrecht, werd op bietsuiker geen enkele belasting geheven. De productiekosten van inheemse suiker konden dus hoger zijn dan die van rietsuiker. De staatskas derfde aldus accijnsinkomsten, maar, zo betoogde men in landbouwkringen, dat woog niet op tegen het grote voordeel dat de hele landbouw zou hebben van deze enigszins beschermde industrie.


Duitse staten: een kleinschalige landbouwindustrie

Voor Pruisen en andere Duitse staten waren de berichten over de vooruitgang in de bietsuikerproduktie een reden voor hernieuwde belangstelling. Landbouwkundigen en scheikundigen gingen naar Frankrijk, waar ze omstandig werden ingelicht over de stand van zaken. Het resultaat was dat alleen al in 1834 minstens vier Duitse handleidingen voor bietsuikerfabricage werden gepubliceerd, in 1836 en 1837 verschenen jaarlijks vier of vijf handboeken.[97] Daarnaast werd in landbouw-, technische en andere tijdschriften een massa artikelen aan de vooruitgang van deze industrie gewijd.

Zowel in Frankrijk als in Duitsland werden, aangemoedigd door het succes van anderen, honderden fabriekjes gedurende de jaren '30 opgericht. Daarbij bestond een duidelijke voorkeur voor kleinschalige productie. Men ging uit van het principe dat het een landbouwindustrie was, waarvan de winst direct moest terugkomen bij de boeren.

In handboeken werd weliswaar voorgerekend dat de winst toenam met de bedrijfsomvang, maar een beperkte productie had weer andere voordelen. Een kleine, eenvoudige productie-eenheid vergde maar een geringe investering en bracht nauwelijks organisatie in de vorm van personeel, massale aanvoer van steenkool, bieten, kalk enz. met zich mee. Bovendien waren er veel van dergelijke kleine plattelandindustrieën waar men een voorbeeld aan kon nemen.

Ten slotte werd hier en daar de overtuiging geuit dat een boer geen industrieel diende te worden, maar boer moest blijven. Een Duitse econoom schetste de verwachte toekomst als volgt:

Werkzaamheden in een stoom-suikerraffinaderij, 1856.

'De ruwe suiker zal op de weekmarkten ter verkoop worden aangeboden en de consumptie zal vijf- of tienmaal zo hoog worden, ze zal zoals tegenwoordig in Engeland en Amerika 16 tot 30 pond per persoon, in plaats van drie pond, gaan bedragen. Landen als Saksen en Württemberg zullen 20 tot 30 miljoen pond suiker tegen een marktprijs van 4 tot 5 miljoen Pruisische Thaler produceren en verbruiken. (...)

Het raffinagebedrijf is echter de laatste tijd in Noord-Amerika, Engeland en Frankrijk sterk verbeterd en zal zonder twijfel nog beter worden. Het is te verwachten dat door zoveel inzet van ervaren scheikundigen een eenvoudige en goede methode zal worden uitgevonden om de ruwsuiker uit de biet en de raffinade door één en hetzelfde proces te bereiden. Maar zolang dat niet is gebeurd, is het vrijwel zeker dat beide bedrijfstakken hun eigen weg gaan. Net als bij het planten en verwerken van vlas, bij het spinnen en weven van katoen, zal de ruwsuikerfabricage door een groep landbouwers en kleine ambachtslieden en de raffinage (net als het bleken en appreteren van katoen) door grote fabrieken worden uitgevoerd.

De ruwsuiker wordt een produkt voor de detailhandel op weekmarkten, de raffinade blijft verder iets voor de groothandel. Zo ontstaat overal waar de nijverheid zich vervolmaakt en bedrijfstakken grotere vormen aannemen, als van nature een arbeidsdeling. Zonder twijfel zullen er ook bedrijven ontstaan die alle activiteiten van bietenteelt tot de verkoop van raffinade in zich verenigen. Grote en ingewikkelde inrichtingen zullen echter in de minderheid zijn en alleen daar ontstaan waar hele groepen of individuele ondernemers kunnen beschikken over grote kapitalen en uiteenlopende vormen van kennis en bekwaamheden kunnen beschikken.' [98]

Deze beschrijving en toekomstverwachting van Friedrich List stemde tot op zekere hoogte overeen met de werkelijke gang van zaken. Boeren, grondbezitters en kleine industriëlen zoals bierbrouwers en anderen kochten het hoogstnodige aan ketels en gereedschappen en verwerkten jaarlijks de oogst van enkele tientallen hectaren bieten. Van de ruim 540 Franse fabriekjes in 1835 had misschien hooguit éénderde een stoomketel.[99]

Als de industrie functioneerde als nevenbedrijf bij de gewone boerderij, moest de techniek uiterst simpel blijven en nauwelijks gemechaniseerd zijn. Het was duidelijk dat bij een dergelijke productiewijze bijvoorbeeld de brandstof niet optimaal werd benut, dat er in de open pannen boven vuur veel suiker door inversie verloren ging. Dat probeerde men in de raffinaderijen juist allemaal te vermijden, maar zoals bovenstaande beschrijving laat zien, beschouwden velen die bedrijfstak met zijn stoomtechniek als een heel andere sector.


Frankrijk: koloniale belangen en rampen en voorzichtig investeren

In Frankrijk kreeg de bietsuikerindustrie begin jaren '40 met nieuwe werkomstandigheden te maken. Het belastingvoordeel dat tot dan toe had bestaan, dreigde definitief te verdwijnen. Een Franse wet[100] ontnam in 1837 aan de bietsuikerindustrie al de belastingvrijdom die ze tot dan toe had gekend. In de daaropvolgende zes jaar werden bijna 250 van de 550 fabriekjes gesloten, en uit 17 Departementen verdween de bietenteelt. De koloniale belangen leken daarmee veiliggesteld, zeker toen in 1843 na zeer langdurige en grimmige Kamerdebatten de regering besloot om op bietsuiker een accijns te heffen die even hoog was als het invoerrecht op rietsuiker.

Toch kreeg de bietsuikerindustrie niet de genadeklap die sommigen verwachtten - of hoopten. Een aardbeving vernielde een groot deel van de suikerfabrieken op Guadeloupe in 1843 en in 1848 werd de slavernij in de Franse suikerkoloniën afgeschaft. Beide gebeurtenissen leidden tot een belangrijke daling van de rietsuikeraanvoer in Frankrijk, zodat er voor de bietsuiker nog altijd een plaats op de markt overbleef. Tussen 1845 en 1850 bleef het aantal fabrieken ongeveer 300, maar hun gezamenlijke productie steeg van 41.000 naar 76.000 ton ruwe suiker.[101]

Werkzaamheden in een stoom-suikerraffinaderij, 1856.

Deze productietoename was uiteraard het gevolg van een groter bietenareaal, en tegelijkertijd steeg de verwerkingscapaciteit van de fabrieken. Dat was noodzakelijk, omdat bieten nu eenmaal niet lang bewaard kunnen worden zonder een groot verlies aan suikergehalte. Er ontstond dus een grote vraag naar stoomketels, pompen, verdamp- en kookpannen. Voor machinefabrikanten was dit een stimulans om door te gaan met de verbetering van hun producten. Sommige hadden zich al een reputatie verworven met belangrijke octrooien op het gebied van de suikerraffinage en de rietsuikerfabricage. Nu opende zich eindelijk ook een grote markt dicht bij huis. Langzamerhand was er een ruim scala aan speciale machinerieën ontwikkeld voor de verschillende delen van het proces: het zuiveren, filtreren, indampen, koken en kristalliseren, en voor het pompen van het suikersap van het ene procesdeel naar het andere.

Vooral van de rietsuikerindustrie was een stimulans uitgegaan naar constructeurs, uitvinders en anderen. In tegenstelling tot de bietsuikerindustrie toonden de koloniën veel belangstelling voor grootschaligheid. De plantages waren nu eenmaal groot en werden centraal bestuurd, dus was het haast vanzelfsprekend om ook de verwerking van het suikerriet centraal en groot aan te pakken. Vooral de firma Derosne & Cail in Parijs had zich gespecialiseerd in totaalpakketten van hele rietsuikerfabrieken. Het productieproces was met enkele aanpassingen ook bruikbaar voor het maken van ruwe bietsuiker.

Hoewel er al sinds het midden van de jaren '40 zeer efficiënte vacuümpannen en en grote verdampinstallaties met stoomverwarming beschikbaar waren,[102] kochten veel bietsuikerfabrieken toch nog open kookpannen. Waarschijnlijk waren deze pannen goedkoop en woog het voordeel bij aanschaf op tegen het feit dat het enorme brandstofverslinders waren. Brandstofkosten telden zeker in de Departementen Nord en Pas-de-Calais, het kerngebied van de suikerfabricage, nauwelijks mee, want de fabrieken stonden daar als het ware op de rand van het Noordfranse steenkoolbekken.

Uit de investeringen en beschrijving van fabrieken uit de jaren 1840-1860 rijst het beeld op dat men weliswaar de kleinschaligheid van de jaren '30 had verlaten, maar ook dat vernieuwingen bij voorkeur stap voor stap werden ingevoerd.[103] Er was een grote spreiding in grootte en technische geavanceerdheid. De kapitaalsomvang van de beherende vennootschappen kan daarvan een oorzaak zijn geweest. Veel fabrieken waren het bezit van twee of drie firmanten die 150.000 francs, nog geen fl. 80.000, bijeen hadden gebracht. Met een dergelijk bedrag was het niet mogelijk om een fabriek groot op te zetten, maar waarschijnlijk was het voldoende om enigszins rendabel te kunnen werken en elke paar jaar kleine verbeteringen aan te brengen.