Cafetarias en snackbars

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Cafetarias en snackbars[11]

De afzet van patates frites nam na de Tweede Wereldoorlog een hoge vlucht. Patates frites was in de jaren twintig en dertig via markten en kermissen overgewaaid van België naar Zuid-Nederland. Zo startte de familie Van Dam in de jaren dertig een patates-friteshuis/eetsalon in Eindhoven. Dit werd een zodanig succes dat de familie ook in Breda, Den Bosch en Tilburg dergelijke vestigingen begon. Boven de grote rivieren - met uitzondering van de grote steden in het westen van het land - was patates frites daarentegen tot na de Tweede Wereldoorlog een vrijwel onbekend fenomeen.


Branchevervaging

Via verkoop op markten en kermissen verspreidde patates frites zich na 1945 ook over Noord-Nederland. De verkoop ervan werd ter hand genomen door Noord-Nederlandse snackmakers en cafetariahouders die al kroketten frituurden. De expansie van automatieken en snackbars in de jaren vijftig was mede een gevolg van de opkomende branchevervaging tussen ambachtelijke ijsbereiders, ambachtelijke snackmakers en patates fritesbakkers. Aangezien de ijsconsumptie seizoengebonden was, zochten de ijsbereiders in de winter ander werk. Met de opkomst van patates frites lag het voor de hand dat ze zich hiermee bezig zouden gaan houden.

Op organisatorisch vlak leidde dit tot de oprichting van de Unie van IJsbereiders en Patates Frites Bakkers in 1951.[12] De Unie ijverde voor een wettelijke regeling van de vestiging van ambachtelijke patates fritesbakkers en ijsbereiders, voor ruimere winkelsluitingstijden en voor uitbreiding van het assortiment van haar leden.

Mede dankzij de lobby van de Unie stond de Winkelsluitingswet van 1952 patates fritesbakkers toe ook na winkelsluitingstijd patates frites te verkopen. Uitbreiding van het assortiment bleef echter omstreden. Kruideniers en verwante winkeliers hadden er bezwaar tegen dat banketbakkers, slagers en andere snacks producerende middenstanders geleidelijk ook snoep- en genotmiddelen als tabak, kauwgom, frisdranken en chocolade gingen verkopen.

In 1957 werd een wetsvoorstel opgesteld om deze concurrentie te reguleren. De pers besteedde veel aandacht aan de zaak. De snackbar was een item geworden. Het blad Conservator van de Unie van IJsbereiders en Patates Frites Bakkers stelde in 1959 vast: ‘Opgetrokken vanuit België heeft de warme worstjes- en patatkraam Nederland volkomen in zijn ban gekregen en een opstand door de jeugd zou te vrezen zijn als deze tentjes plotseling van het toneel zouden moeten verdwijnen.’[13]


Onderdeel jeugdcultuur

De cafetaria’s en de snackbars waren naast de Italiaanse ijssalons belangrijke ontmoetingscentra van de Nederlandse jeugd geworden, vooral wanneer ze beschikten over jukeboxen en flipperkasten. De regering bereikte na overleg met de betrokken groepen het compromis, waarbij werd afgesproken dat cafetaria’s na winkelsluiting uitsluitend cafetariaproducten zouden verkopen.

In 1962 verbood de Hoge Raad tabaksverkoop door cafetaria’s. De debatten in de Tweede Kamer, de publieke aandacht en de regelgeving over het cafetaria-assortiment markeerden de maatschappelijke acceptatie van het cafetariawezen en de cafetariasnacks. In die periode ontstond ook een nieuwe trend.


Fast food

Het eten uit de muur was de opmaat voor een nieuw type eetgelegenheid, dat kenmerken van de snackbar en het restaurant in zich verenigde: het fastfoodrestaurant. In 1963 startte Albert Heijn in samenwerking met het Britse horecaconcern Lyons de eerste Wimpy Bar in Nederland. In de Wimpy Bar maakte de Nederlander kennis met een nieuwe snack, de Amerikaanse hamburger. Hoewel de hamburger pas in de jaren zeventig een succes zou worden[14], stimuleerde dit voorbeeld Unilever om Noordzee Quick Restaurants te openen (vanaf 1970). In 1971 begon Albert Heijn in Zaandam een joint venture met McDonald’s om patates frites, kip en appelmoes te serveren.