Crisis in de relatie producent-consument

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

In de tweede helft van de 19e eeuw bonden medici, burgers, fabrikanten en politici met succes de strijd aan tegen de voedselschaarste die arme groepen Nederlanders sinds mensenheugenis in de greep had gehouden. Rond 1900 was de ernstigste nood geleden. De beide wereldoorlogen zetten de voedselhoeveelheid weer tijdelijk onder druk maar in de jaren vijftig was er ruim voldoende voedsel aanwezig, dat bovendien van goede kwaliteit was. Wie dacht dat hiermee crisissituaties in de voeding verleden tijd waren, vergist zich deerlijk. Het publiek van tegenwoordig wordt met een zekere regelmaat opgeschrikt door problemen in de bio-industrie, zoals varkenspest, mond- en klauwzeer, dioxine in kippen en salmonellabesmetting. Ook in andere takken van de voedingsmiddelenindustrie duiken soms productie- of distributieproblemen op, zoals glassplinters of restjes schoonmaakmiddelen in voedsel. En er dreigen nieuwe problemen in de volksgezondheid door voeding.

Nederlanders zijn de controle over hun voeding aan het verliezen. Tegen de jaren vijftig hadden ze zich een voedzaam voedingspatroon eigen gemaakt: twee broodmaaltijden en een warme maaltijd per dag, (idealiter) samengesteld volgens de Schijf van Vijf. Het was misschien saai, uniform en gedisciplineerd, maar goed voor de gezondheid van de bevolking.

Wat moeten consumenten echter heden ten dage met een aanbod van tenminste 15.000 voedingsmiddelen en de keuze uit talloze kant en klare gerechten? Maar vooral ook: hoe moeten ze de dagelijkse voeding op kwaliteit beoordelen, nu ze het klassieke voedingspatroonzijn gaan loslaten en niet meer standaard aardappelen, vlees en groenten eten en zijn gaan deelnemen aan een zogenaamde ‘graascultuur’? Nederlanders eten vaak hapjes en kleine maaltijden, dikwijls individueel, op elk moment van de dag en op een plaats naar keuze: thuis, op het werk, op straat, in de auto of het openbaar vervoer. Uit deze tussendoortjes naast de hoofdmaaltijden haalden de Nederlanders aan het eind van de 20ste eeuw 30% van de benodigde energie uit voeding (uitgedrukt in calorieën of joules).

De verwachting is dat dit in het begin van de 21ste eeuw zal stijgen naar 50%. Het verlies aan controle is het meest duidelijk te zien aan het probleem van overgewicht, een van de grootste bedreigingen van de volksgezondheid. Deze nachtmerrie begon in Amerika. Nederland staat inmiddels vierde op de lijst van landen na de VS, Groot-Brittannië en Duitsland. Vier op de tien volwassen Nederlanders is te dik, en een op de vijf kinderen. Nederlanders worstelen met hun gewicht en met de gevolgen van obesitas (vetzucht), zoals hart- en vaatziekten (in 2002 met 34% doodsoorzaak nummer één) en diabetes.

Van de voedingsmiddelenindustrie moet bij de bestrijding van deze problematiek niet al te veel verwacht worden. Zij kent een eigen dynamiek, die gericht is op steeds weer nieuwe producten, hogere omzetten en winst. Haar antwoord op het hernieuwde debat over voeding en gezondheid is een herdefinitie en een herpositionering van voedingsmiddelen. Een fraai voorbeeld is het assortiment functionele voedingsmiddelen waarvan verwacht wordt dat het de komende jaren een enorme vlucht zal nemen.

Het gaat daarbij om voedingsmiddelen die door toevoeging van extra ingrediënten een mogelijk toegevoegde waarde voor gezondheid en lichaamsfuncties hebben. Zij zijn doorgaans voorzien van gezondheidsclaims, maar fabrikanten zijn (anders dan bij medicijnen) wettelijk niet verplicht deze claims waar te maken. Wel worden eisen gesteld aan de formulering van zulke claims, met name waar het de term ‘gezondheid’ betreft. Bij dergelijke voedselsupplementen moeten we denken aan de toevoeging van calcium aan melk en boter met de mededeling ‘goed voor de botten’, van vitamine C aan diverse voedingsmiddelen met de claim ‘verhoogt de weerstand’ en fytostanolen aan margarine met de aanspraak ‘verlaagt het cholesterolgehalte’.


Naast de vraag of de claims kloppen, heeft het ontwikkelen van functionele voeding iets bizars. Voor de gemiddelde Nederlander is een voldoende variatie met ‘klassieke’ producten zoals graan en zuivel, groente en fruit, vlees of noten en wat beweging een uitstekende basis voor zijn gezondheid. De vraag blijft wat de verdere ontwikkeling van samengestelde producten voor toegevoegde waarde heeft voor de volksgezondheid in de toekomst. Ze roept ondertussen allerlei nieuwe vragen en problemen op. Vooral aan de consumptie van geur- en smaakstoffen, maar ook aan bepaalde conserveermiddelen en andere toevoegingen worden allergische reacties, gedragsproblemen bij kinderen, voedselintolerantie en andere gezondheidsproblemen toegeschreven. Veel kennis hierover ontbreekt nog.

Overigens blijven ook bij ‘klassieke’, weinig bewerkte producten nog kwesties over, zoals met betrekking tot bederf, ziekteverwekkende micro-organismen en natuurlijke giftige stoffen. Samengestelde producten dienen vooral de levensstijl, het gemak, de ontspanning, het genot en de smaaksensatie. Voedsel is meer dan voeding.