De Arendploeg

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Borgman in de Verenigde Staten

Dankzij het onderzoek van J.M.G. van der Poel naar de verspreiding van de Arendploeg in Nederland, zijn we goed ingelicht over de geschiedenis van deze innovatie.[49] In grote lijnen verliep die als volgt. De boeren uit (onder meer) Groningen die in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw naar Noord-Amerika emigreerden, berichtten vandaar over de nieuwe landbouwmachines waar ze kennis mee maakten. De Groninger boer C. Borgman maakte in 1850 een reis naar de Verenigde Staten - in de eerste plaats om familie te bezoeken - waarbij hij vooral geïnteresseerd raakte in de daar gebruikte Arendploeg. Deze ploeg was niet alleen veel lichter dan de traditionele Groninger ploegen, maar door zijn vorm (zie afbeelding) vroeg hij bovendien veel minder trekkracht en trok hij een betere voor. Op de terugtocht besloot Borgman een Arendploeg mee te nemen, die in New York werd aangeschaft.

De Arend-kleiploeg, 1854.

Succesvolle introductie

De nieuwe ploeg was meteen een succes. Proeven uitgevoerd door prof. Van Hall van de Landhuishoudkundige School te Groningen, wezen uit dat de Arendploeg meer dan één-derde minder trekkracht nodig had dan de traditionele Groninger voetploeg.[50] Samen met G. Reinders uit Warffum besloot Borgman de ploeg uit de Verenigde Staten te gaan importeren. De belangstelling van de boeren in de omringende dorpen was zo groot, dat in amper twee jaar 170 ploegen werden ingevoerd.

De volgende fase in de verbreiding van de Arendploeg was, dat smeden, eerst in Groningen, op den duur ook elders, hem gingen namaken. Eenvoudig bleek dit niet, onder meer door de grote verschillen in produktietechniek tussen Amerikaanse landbouwwerktuigenfabrieken en Nederlandse smeden. In de Verenigde Staten werd de ploeg met behulp van matrijzen in serie geproduceerd, waardoor ze exact gelijk aan elkaar waren en onderdelen onderling uitwisselbaar waren. De smid op het (Groninger) platteland maakte elke ploeg apart; standaardisatie en serieproduktie waren nog onbekend. Desalniettemin kwam de produktie van Arendploegen snel van de grond. Al in 1851 berichtte de Landbouwcourant dat 'den wagenmaker S. Noorda en den smid D.Ritsema te Ulrum' nagemaakte Arendploegen aanboden voor fl. 40 per stuk.[51] Volgens dezelfde bron kostte een ingevoerde ploeg inclusief vracht f 56, terwijl de prijs in New York fl. 27,50 was.[52]


Aanpassingen aan lokale grondsoorten

Het voordeel van produktie ter plekke was dat de ploeg kon worden aangepast aan de lokale grondsoort. De 'Beschrijving van den landbouw in het Hunsego' van P.Heidema en E.Dijkema uit 1860 vermeldde zelfs dat 'de hier gemaakte ploegen algemeen nog beter (voldoen), dan de uit Amerika ingevoerde. Zoo worden de ploegen voor zware klei- en oergronden aanmerkelijk zwaarder en sterker gemaakt, dan die, welke op zavellanden worden gebruikt, en wordt aan enkele ploegen ook een tweede kouter en huis (tweevoorhuis) gegeven, ten einde daarmede twee voren in eens te kunnen maken'.[53]

In 1852 en 1853 werden in andere delen van het land door verschillende boeren en Maatschappijen van Landbouw proeven gedaan met de nieuwe ploeg. De Geldersche Maatschappij van Landbouw demonstreerde de ploeg bij bijeenkomsten op Het Loo en in Tiel. Enkele afdelingen van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw beproefden eveneens de Arendploeg, maar gaven na enige tijd de voorkeur aan een 'gewijzigde Arendploeg' die was ontwikkeld door een smid in Rockanje.

Diverse ploegen in "Handboek voor den Nederlandsche landbouw en Veeteelt" deel I, 1877.

Vergelijkbare berichten over experimenten met de Arendploeg komen uit Zeeland en Friesland. Vooral in de kustprovincies ging de verspreiding in de jaren vijftig en zestig erg snel. Volgens de importeur van landbouwmachines Jb. Boeke had in 1860 in bijna geheel Friesland 'de ouderwetsche Friesche radploeg, die paarden- en menschenbeul' plaats gemaakt voor 'den bevalligen en doelmatigen arendploeg'. [54] Vermoedelijk is dit bericht te optimistisch, omdat uit berichten van andere delen van de kustprovincies blijkt dat de opmars van de arendploeg langzamer ging. In 1865 meldt het landbouwverslag dat in Hunsingo 'de Arendploeg in vele gemeente den ouden groningschen ploeg geheel verdrongen (heeft), en begint dit ook in het Westerkwartier, onder Groote Gast, te doen'.[55] Daarentegen is in 1868 in het Oldambt de Groninger voetploeg nog algemeen in zwang.[56] In het noorden van Fivelgo - 'in de beste bouwstreken op de klei- en zavelgronden' - was het gebruik van de Arendploeg in 1868 algemeen, in het zuidelijk gedeelte was de traditionele voetploeg, in sommige gevallen 'eenigszins gewijzigd naar den arendploeg', nog algemeen in gebruik. [57]


Kleigronden en zandgronden

Berichten over aanpassingen in de Arendploeg komen vaker voor: ook op de Zeeuwse klei werden 'eenigszins gewijzigde arendsploegen' gebruikt.[58] Over het algemeen sloeg de Arendploeg niet aan op de zandgronden. In 1867 vermeldt het landbouwverslag nog van de activiteiten van de Maatschappij tot Weldadigheid te Veenhuizen (Drente) dat men zich bezig houdt met de introductie van 'voor deze streken, nieuwe werktuigen', waaronder de Arendploeg.[59] In de Gelderse Vallei was in 1866 'met uitzondering van eenige enkele arendploegen' de Gelderse radploeg nog algemeen in gebruik.[60]

In de landbouwverslagen ontbreken de verhalen over de verspreiding van de nieuwe ploeg in de zandprovincies, wat er vrijwel zeker op wijst dat de ploeg daar geen groot succes was. Op grond van het rapport van de Staatscommissie voor de Landbouw van 1886 kwam Van der Poel tot dezelfde conclusie: op de zandgronden gebruikte men over het algemeen nog de traditionele ploegsoorten, terwijl men op de klei vrijwel overal was overgegaan op verschillende typen van de Arendploeg of andere geïmporteerde ploegen (o.a. de Hohenheimer ploeg en de ploegen van Eckert en Sack).[61]


Het succes van de Arendploeg in de Nederlandse kleiprovincies moet aan een aantal factoren toegeschreven worden. Om te beginnen lijkt het erop dat op het terrein van de techniek van de ploeg de Nederlandse landbouw zich tot 1850 in een technologisch isolement bevond. De uitwisseling van ploegen met het buitenland vond vrijwel niet plaats, er bestond nog geen levendige handel in landbouwmachines en pas na 1850, wakker geschud door het succes van de Arendploeg, gingen de Maatschappijen van Landbouw zich voor de ploeg interesseren. Tegelijkertijd kwam na 1850 de commerciële invoer van landbouwmachines van de grond. Door het isolement tot 1850, gingen technologische ontwikkelingen in het ontwerp van de ploeg aan Nederland voorbij; de traditionele ploegen veranderden in de jaren voor 1850 slechts uiterst langzaam. Dit isolement werd in 1850 plotseling doorbroken door het initiatief van Borgman. Na het succes van de Arendploeg ging de aandacht zich ook richten op ploegen die in de omringende landen - vooral Duitsland en Engeland - door gespecialiseerde landbouwwerktuigenfabrieken werden voortgebracht. Hierdoor ontstond een vrijwel voortdurende aanvoer van nieuwe, verbeterde en voor bepaalde grondsoorten aangepaste ploegsoorten.

Karploeg met een tweespan.


Het succes van de Arendploeg laat zich uit een vergelijking met de traditionele ploegen die op de kleigronden gebruikt werden, eenvoudig verklaren. De Arendploeg was vermoedelijk niet duurder, misschien zelfs goedkoper dan de traditionele radploeg. De besparing aan trekkracht was aanzienlijk, en werd op grond van het al genoemde experiment van Van Hall op éénderde geschat. De Arendploeg was dus niet in de eerste plaats een arbeidsbesparende innovatie, maar spaarde vooral kostbaar paardewerk, dus kapitaal uit. Op de zware kleigronden moesten de boeren een flink aantal paarden aanhouden om het ploegwerk te kunnen doen. Bovendien werd er op de klei zeer vaak geploegd; tijdens het braakjaar, dat vaak nog in de vruchtwisseling werd opgenomen, werd soms wel vijf tot zeven keer geploegd en geëgd om de grond te luchten en van onkruid te bevrijden.[62]

Op de lichte zandgronden was het ploegen daarentegen veel minder een knelpunt in het produktieproces. Er werd over het algemeen minder geploegd met een veel lichtere, door één paard getrokken ploeg, die aanzienlijk goedkoper was dan de Arendploeg. In de Meierij kostte een ploeg in 1868 fl. 14 tot fl. 16.[63]

Een Arendploeg van minstens fl. 40 was dus een flinke investering, zeker voor de meeste boeren op de zandgronden die nu eenmaal een chronisch gebrek aan bedrijfskapitaal hadden. Een boer op de klei kon misschien dankzij de Arendploeg één of twee paarden van zijn totale stapel van vier tot acht afschaffen. Een boer op de zandgronden bezat echter meestal slechts één paard. Om al deze redenen was de Arendploeg voor de boeren op de zandgronden over het algemeen geen aantrekkelijke investering. Het kwantitatieve belang van de Arendploeg (en van andere nieuwe ploegen) laat zich overigens niet zo eenvoudig meten. Aanwijzingen dat het aantal paarden in de landbouw verminderde tengevolge van deze vernieuwingen zijn er niet. Het voordeel moet veeleer gezocht worden in beter geploegde akkers en een betere conditie van de paarden.