De Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw van de haven

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Het havencomplex breidde zich na de Tweede Wereldoorlog steeds verder westwaarts uit naar de zee.

De Tweede Wereldoorlog had op het eerste gezicht desastreuze gevolgen voor de haven. Het bombardement van de stad in mei 1940 werd vier jaar later, in september 1944, gevolgd door een grootschalige vernieling van kaden, gebouwen en overslagmaterieel, waardoor de haven opnieuw moest worden opgebouwd. Die opbouw kreeg echter een hoge prioriteit. De obstakels in het water werden verwijderd en de zeven kilometer vernielde kade (42% van het totaal) werd hersteld. Ook het arsenaal aan overslagmaterieel werd weer aangevuld. Al in de oorlog was verder nagedacht over de uitbouw van de haveninfrastructuur en industrialisatie van de haven.[11] In 1947 gaf de gemeente toestemming om het Botlekplan uit te voeren. In de jaren vijftig kwam de verhuur van terreinen op Botlek goed op gang, met name aan de chemische industrie. Daarom werden er nieuwe expansieplannen ontwikkeld, die uiteindelijk leidden tot de aanleg van Europoort; deze plannen werden in 1957 door de gemeenteraad geaccepteerd. Ook werd een net van pijpleidingen voor het transport van olie binnen de haven aangelegd, evenals een leiding naar het Duitse achterland. Aan het einde van 1960 liep de eerste tanker Europoort binnen en in 1962 mocht Rotterdam zich door de snel groeiende olie-overslag de grootste haven van de wereld noemen. Europoort omvatte vijf nieuwe petroleumhavens; later werd ook nog de Maasvlakte aangelegd.


De periode tot 1960 is niet alleen een periode van herstel en wederopbouw, maar ook een periode van expansie. Die expansie gebeurde volgens de lijnen zoals die waren uitgezet in het Interbellum. De les die Rotterdam uit de crisis van de jaren dertig trok, was dat de haven veel minder afhankelijk moest worden van het transitoverkeer en een eigen grootschalige industrie en aanzienlijke ruimte voor opslag diende te bezitten. Botlek en Europoort/Maasvlakte kenden een voor de Rotterdamse haven nieuwe opzet: het waren niet zomaar nieuwe bekkens, maar geïntegreerde havencomplexen, waar industrie, opslag en overslag samenkwamen. Kenmerkend voor de nieuwe complexen was dat de oppervlakte van de aan de bedrijven uit te geven terreinen vele malen groter was dan in het bestaande gebied. Dit maakte niet alleen de vestiging van industrieën mogelijk, maar ook de sterk toenemende overslag via de wal, de indirecte overslag.

Deze toepassing van de nieuwe grote terreinen was deels ongepland; de gemeentelijke plannenmakers gingen reeds tijdens de oorlog uit van de komst van veel grotere schepen, maar concentreerden zich vooral op de nautische effecten daarvan en niet zozeer op de interne logistiek van de overslag, die ze immers aan de bedrijven overlieten.

De aanleg van nieuwe havencomplexen vond ook plaats op een moment dat nog niet was aangetoond dat ze gevuld zouden kunnen worden. Sterker dan voorheen, werd er geanticipeerd op een vraag die zou gaan komen. Nieuw was in dit verband dat de gemeente het uitgangspunt van een sluitende havenbegroting losliet en bereid was langlopende leningen aan te gaan om de havenuitbreiding te financieren.

De Tweede Wereldoorlog betekende in beperkte mate een breuk in de ontwikkeling van de haven: de plannen voor havenuitbreiding op deze manier bestonden al vóór de oorlog, maar wel werd daardoor na de oorlog een draagvlak gecreëerd voor een versnelde uitvoering van de plannen.