De accijnskwestie

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Het bier uit Beieren stond in Nederland al vroeg goed bekend. Ook de dichter Piet Paaltjens (pseudoniem van François Haverschmidt) wijdde er in het begin van de jaren vijftig enkele lovende woorden aan.[44] De Leidse studenten zouden enthousiast worden


voor wat goed is en wellicht zo fier

voor waarheid en wijn en vrouwen

voor vrijheid en Beijersch bier.

Ongeveer vanaf het midden van de jaren veertig probeerden brouwers dan ook om in ons land eveneens 'naar de Beijersche wijze bewerkt bier' te brouwen. Er moeten 'Beijersche brouwerijen' in Groningen, Arnhem en enkele plaatsen in Noord-Brabant zijn geweest, maar echt goed lukken wilde het niet.[45]

Behalve enige ervaring met deze werkwijze, was immers de temperatuur van belang. Die moest op één of andere manier voldoende laag worden gehouden voor ondergisting, hetzij met ijs of sneeuw, hetzij door lage buitentemperaturen.


Nadelig voor Nederlandse bierkwaliteit

Een bijna onoverkomelijke hinderpaal voor een goed en betaalbaar product was echter de wijze waarop in Nederland belasting op het bier werd geheven.
Een geüniformeerde belastingambtenaar bepaalt met de saccharometer het stamwortgehalte

Sinds 1816 werd de bieraccijns niet geheven op de door de brouwer geproduceerde hoeveelheid bier, maar op de inhoud van de werkkuip. Vooral op aandringen van de brouwers uit de zuidelijke (later Belgische) provincies handhaafde men dit principe bij een herziening van het belastingstelsel zes jaar later.[46]

Hier en in Brabant en Limburg werd veel licht bier voor de dagelijkse consumptie gebrouwen. De belastingheffing op de inhoud van de werkkuip was voor deze brouwers voordelig. In de kuip werd dan namelijk zoveel mogelijk moutmeel gedaan, waarna er wel zes of zeven brouwsels van werden getrokken. De kwaliteit van de laatste brouwsels was meestal zeer matig.

Vooral in enkele grotere brouwerijen in het westen van het land werd met één of op zijn hoogst twee à drie brouwsels per brouwkuipvulling zwaarder bier gebrouwen, dat bijvoorbeeld in kwaliteit kon concurreren met het uit Duitsland en Engeland ingevoerde bier en dat ook geschikt was voor export naar de koloniën. Voor deze brouwers was de accijnsheffing per brouwkuip in elk geval nadeliger dan voor hun zuidelijke collega's.

Een algemeen nadeel van de accijnswet van 1822 [47] was het grote aantal voorschriften en bepalingen waarmee het gehele brouwproces was omgeven. Als een brouwer met een nieuw brouwsel begon, moest hij dat de dag tevoren vóór een bepaalde tijd schriftelijk aan de belastingambtenaar melden. Hij diende in zijn brief precies de tijden aan te geven waarop elke volgende fase van het brouwen aanving en wanneer het werk zou worden beëindigd. Langer dan een bepaalde, van de omvang van de brouwkuip afhankelijke maximumtijd, mocht het gehele brouwproces niet duren. Van 1 april tot 1 oktober moest tussen vier en twaalf uur met brouwen worden begonnen. Van 1 oktober tot 1 april lagen die tijden op zes uur en twaalf uur.

De bedoeling van al deze regels was om belastingontduiking tegen te gaan en daar slaagde men vermoedelijk ook wel in. Maar een nevenresultaat was dat de biernijverheid ernstig in haar ontplooiingsmogelijkheden werd belemmerd. De kwaliteit van veel van in ons land gebrouwen bier was, als we tijdgenoten mogen geloven, onder andere daarom slecht.[48]


Niet de kuip, maar de grondstof als basis voor de berekening

In de loop der jaren veertig werd herhaaldelijk gepleit voor een wijziging in de belastingheffing op het bier. Een belangrijk woordvoerder hierbij was de Haagse brouwer B.M. Perk, die in 1854 een brochure over de zaak publiceerde. Hierin drong hij aan op een verandering in het accijnsstelsel, zodat niet langer het werktuig (de kuip), maar evenals in veel andere landen de grondstof (mout) als basis voor de berekening zou worden genomen.

Om bijvoorbeeld goed ondergistend Beiers bier te brouwen, zou - naast de lage temperatuur bij de gisting - het beslag op een andere manier moeten worden opgewarmd. In Beieren werd twee of driemaal een gedeelte van het beslag afzonderlijk gekookt en na elke koking werd de inhoud naar de werkkuip teruggepompt. Dit gebeurde om het beslag in fasen op de juiste temperatuur te kunnen brengen. Deze vrij omslachtige manier van werken, die alleen in wat grotere bedrijven kon worden toegepast, had onder meer als voordeel dat het brouwproces geleidelijker en vollediger verliep, terwijl het tevens mogelijk was het brouwsel een voor de brouwerij karakteristieke smaak te geven.

Volgens de wet van 1822 moest echter in Nederland over elke (gedeeltelijke) nieuwe vulling van de werkkuip belasting worden betaald. Het resultaat was, dat de brouwer die werkelijk volgens de regels van de kunst ondergistend wilde brouwen, voor dezelfde hoeveelheid gebruikt gerstemeel als bij een bovengistend brouwsel wel 50% meer belasting moest betalen.[49]

Naar aanleiding van plannen om een 'Beijersche Stoombierbrouwerij' op te richten, kwam Perk in 1858 op de zaak terug. Wanneer de wet van 1822 werd gewijzigd, zouden de Nederlandse brouwers uitstekend in staat zijn met Engeland en Beieren te concurreren, stelde hij in een uitvoerige prospectus. Hij, Perk, had vanaf 1845 Beiers en later ook Engels bier gemaakt. De wet had hem echter steeds belet 'daaraan de eigenaardige smaak te geven die er aan behoort, doordien zij verbiedt in mijn brouwerij de werkzaamheden te leiden zoo als dat elders plaats heeft'.[50]

Perk en medestanders kwamen met hun verzoeken om versoepeling van de accijnswet precies in een periode dat algehele accijnsafschaffing op eerste levensbehoeften door de regering ter discussie werd gesteld. In 1856 was de accijns op het gemaal al verdwenen, die op vlees en steenkolen werd ook overwogen. Verder kwamen parlement en de opeenvolgende ministers van Financiën tot de overtuiging dat de accijnswetten zoals die in 1816 en de jaren twintig waren opgesteld, achterhaald waren. Het was dus ook zeker niet de bedoeling om brouwers te hinderen in de 'vooruitgang hunner nijverheid' , verzekerde de regering. De verzoeken die een aantal brouwers in 1855 indienden, hadden betrekking op

'eene nieuwe wijze van brouwen, welke in andere staten was ingevoerd en welke men meende dat ook hier te lande met voordeel, zoowel van brouwer als verbruiker, zoude kunnen worden toegepast.'[51]

Het verbruikers-belang was een hoogst belangrijk argument, want goed en goedkoop bier zou wellicht betekenen dat bier de zo gehate jenever met succes zou verdringen. Helaas kwam het wetsontwerp niet door de Kamer, omdat het gecombineerd was met de accijns op azijn.

Amendementen op dat stuk van het ontwerp maakten dat de Minister het voorstel als geheel terugtrok.[52] Daarna bleef het tien jaar stil aan brouwerszijde.

In die tussentijd kwam het Ministerie van Financiën waarschijnlijk wel tegemoet aan verzoeken van individuele brouwers die om (tijdelijke) ontheffingen vroegen. Dankzij zulke 'administratieve voorschriften, tot welker uitvaardiging de Regering waarschijnlijk geene bevoegdheid bezat', kon er toch Beiers bier gebrouwen worden, maar de brouwer moest er in alle geval meer accijns voor afdragen dan voor gewoon bier.[53]

In 1867 kwam er een nieuw voorstel tot herziening van de bieraccijns in het parlement. De Commissie van Rapporteurs merkte in haar verslag enigszins gepikeerd op, dat de regering zich nu wel erg had laten leiden door een ongeduldige groep ondernemers. Immers, het probleem was al jaren geleden onderkend, maar
Heineken reclame-affiche

...eerst thans, nu zich in de hoofdstad des Rijks eene magtige vennootschap gevormd heeft, die de Beijersche manier van brouwen op groote schaal wenscht toe te passen, doet de Regeering het voorstel om de wetgeving ten aanzien van bieraccijns aanzienlijk te verbeteren. Daarbij mag niet worden uit het oog verloren, dat de Nederlandsche Beijersch-bierbrouwerij sedert twee jaren in aanbouw was en [dat] de Bestuurders der Vennootschap, die wisten dat de fabriek niet kon worden in werking gebragt wanneer de wet van den 5den Augustus 1822 niet was gewijzigd, het oogenblik der voltooijing rustig hebben afgewacht, alvorens het verzoek tot wijziging dier wet aan de Regering te doen.[54]

Ondanks deze kanttekening werd de herziene wet aangenomen. Vanaf dat moment kon de brouwer kiezen voor een heffing van de accijns op basis van de inhoud van de werkkuip of van de gebruikte hoeveelheid mout. Bij deze regeling was rekening gehouden met de belangen van beide partijen, die nu naar keuze onder- of bovengistend konden brouwen. Door het instellen van een bepaalde minimum inhoud van de werkkuip konden slechts de kleinste brouwers zich benadeeld voelen. Zij hadden nu de keus hun (part time) bedrijf te staken of een grotere werkkuip aan te schaffen. Na een proefperiode werd de kwestie vier jaar later langs deze lijnen meer definitief geregeld.

In de jaren zestig verhoogde de regering verder enkele malen de accijns op gedistilleerd, van f 22 per hectoliter in 1862 via fl. 35 naar fl. 50 drie jaar later. Per glas waren bier en jenever daarmee in de cafés vrijwel even duur.[55] Helaas bleken de verstokte jeneverdrinkers hierdoor niet te beïnvloeden, zodat weliswaar het bierverbruik toenam dankzij het Beiers bier, maar 'de drank' als probleem bleef voortbestaan.

De maatregelen op belastinggebied hadden als resultaat dat de grote Nederlandse bierbrouwerijen aan het eind van de jaren zestig in staat waren met goede producten te concurreren met zowel de binnenlandse jenever als de buitenlandse bieren.