De beginjaren van koeling van levensmiddelen

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Koeling

Toepassing van koude om levensmiddelen te conserveren, is zeer oud. In 1900 konden pakhuizen zo worden ingericht dat de temperatuur zo constant mogelijk laag werd gehouden; ook beschikten veel huishoudens over kasten en kelders om levensmiddelen op een constante, lage temperatuur te bewaren. De voedingsmiddelennijverheid maakte eveneens gebruik van koeling om het productieproces beter te kunnen beheersen.

Bierbrouwerijen, bijvoorbeeld, koelden het pas gebrouwen bier op zogenaamde koelschepen, platte bakken met een groot oppervlak, gelegen op de bovenste verdieping van de brouwerij. Door het openzetten van de ter plekke aanwezige luiken kon de wind voor extra koeling zorgen. ’s Zomers schoot deze koelmethode te kort en werd er dan ook niet gebrouwen.


Natuurijs

Toepassing van natuurijs was een andere manier om de temperatuur laag te houden. Al in de zeventiende eeuw voorzagen welgestelden hun buitenhuizen van ijskelders om in de winter in de omgeving gewonnen natuurijs op te slaan voor later gebruik. Ook het binnen bierbrouwerijen toegepaste ijs was aanvankelijk vooral uit de directe omgeving afkomstig.

In de loop van de negentiende eeuw voerde de nijverheid steeds meer natuurijs uit het buitenland in, vooral uit de Verenigde Staten en Noorwegen. Dit op grootschalige wijze gewonnen ijs werd tot in tropische streken afgezet, ook in Nederlands-Indië. Het transport over grote afstanden maakte dit natuurijs kostbaar; hierdoor ontstond een markt voor kunstmatig geproduceerd ijs.


Koelmachines

In de eerste helft van de negentiende eeuw experimenteerden technici in diverse landen met de constructie van zogeheten koelmachines. Na het overwinnen van diverse kinderziekten werden deze in de tweede helft van de eeuw in de praktijk toegepast. Het meest gebruikelijk was de constructie van compressie-koelmachines (zie afbeelding). De Rotterdamse Heineken-brouwerij paste - waarschijnlijk als eerste in Nederland - in 1873 een dergelijk apparaat toe.[1]

Vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw pasten ook handelaren en vleesexporteurs compressie-koelmachines toe om vleestransporten vanuit Argentinië en Australië naar Europa mogelijk te maken. Toen aan het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw in Nederland overal gemeentelijke abattoirs werden gebouwd, werden deze na verloop van tijd ook van koelapparatuur voorzien om koeling van vlees mogelijk te maken. In 1898 werd de eerste koelmachine in een abattoir in gebruik genomen.

Nederlands-Indië liep bij de toepassing van koelmachines overigens voorop op het moederland; al in 1865 werd in Semarang een ijsfabriek opgericht. Ook binnen de margarinefabrieken (Anton Jurgens te Oss in 1882), de kaarsenindustrie en zuivelfabrieken (de eerste in 1895) werden koelmachines geplaatst.

Schematische weergave van een compressiekoelmachine.

In 1905 opende het Vriesseveem in Amsterdam als eerste opslagbedrijf koelruimten, in het uit 1896 stammende pakhuis Oost-Indië aan de Hoogte Kadijk. Het bedrijf paste ruimtekoeling toe. In het koelhuis, met koelcellen op verschillende temperaturen, werden vlees, wild, gevogelte, vis, boter, eieren, kaas, vruchten, groenten, bloembollen en planten bewaard. De meeste artikelen werden er onder het vriespunt bewaard.

Dat een dergelijke voorziening in de Amsterdamse haven tot stand kwam, was niet verwonderlijk gezien de toepassing van kunstmatige koeling binnen de scheepvaart. De Rotterdamsche Lloyd had met de ‘Bromo’ in 1889 als eerste een van koelruimten voorzien mailschip in bedrijf; de marine had vanaf 1895 een kruiser met koel- en ijsmachine in de vaart.[2]

De scheepvaart was een belangrijke toepasser van koelmachines om bederfelijke waar over grotere afstanden te vervoeren. De havengebieden van Amsterdam/IJmuiden en Rotterdam/Hoek van Holland zouden de eerste concentratiepunten worden voor de vestiging van koelhuizen en de hieruit ontstane vriesindustrie. Hier werden de eerste schakels opgebouwd van een koelketen die uiteindelijk heel Nederland zou overspannen.[3]


De visserij

Natuurijs speelde rond 1900 binnen de rijksvisserijhaven te IJmuiden een belangrijke rol. Het ijs werd aangewend om de vangst aan boord van de schepen en aan de wal te koelen. ‘In hoofdzaak wordt dat uit Noorwegen aangevoerd’, zo meldde de directeur van de vissershaven in 1903, ‘hoewel in de wintermaanden bij vorst, uit den omtrek ook aanzienlijke hoeveelheden worden aangebracht.’[4]

Vanaf 1900 verbruikte de visserijsector naast dit natuurijs ‘fabrieksijs’, gemaakt met ‘koudemachines’ in ijsfabrieken.[5] Rond 1900 waren in IJmuiden twee ijsfabrieken gevestigd, twintig jaar later zeven. De met de opkomst van de stoomtrawler steeds grootschaliger wordende visserij had steeds meer ijs nodig, terwijl fabrieksijs natuurijs langzamerhand verdrong. Natuurijs werd vanaf 1910 alleen in het zomerseizoen aangevoerd, na 1915 gebeurde ook dit niet meer.[6]

Tijdens de crisis van de jaren dertig, die gepaard ging met een devaluatie van de Noorse kroon, zou het Noorse ijs echter een kortstondige comeback maken.[7] Het ijs dat de ijsfabrieken produceerden, was vooral voor de visserij bestemd, maar ze exporteerden ook naar Groot-Brittannië en België. Bovendien leverden ze aan particulieren, net als ijsfabrieken in het binnenland en andere bedrijven met ijsafdelingen gewend waren te doen.[8]