De bietsuikerindustrie

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Decreet van Napoleon


Eind maart 1811 werden door het Keizerlijk Ministerie van Binnenlandse Zaken in Parijs vele tientallen dikke informatiepakketten verstuurd. De Prefecten van alle Departementen waarin Napoleons Rijk was verdeeld, zouden er een ontvangen. Enkele dagen later konden dus ook de Nederlandse Prefecten kennis nemen van het Decreet dat op 25 maart was uitgevaardigd. Daarin besloot Napoleon dat er enkele nieuwe producten binnen zijn Rijk verbouwd moesten worden om zodoende onafhankelijk te worden van overzeese gebieden. Het plan betrof de teelt van katoen, tabak indigo en suikerbieten.
Het proces binnen de raffinaderij

De Keizer greep bij dat laatste terug op de ontdekking in 1747 door de Berlijnse scheikundige Marggraf, dat bepaalde soorten van bieten een suiker bevatten die zich in niets liet onderscheiden van de suiker die hij in suikerriet aantrof. Dit leek Napoleon nu een ideale oplossing voor het nijpende Europese suikertekort.

Experimenten in Duitsland omstreeks 1800 toonden aan, dat verschillende bietenrassen inderdaad op industriële manier verwerkt konden worden en dat raffinadeurs hagelwitte suikerbroden van die suiker konden maken. Een bijkomend voordeel was, dat de landbouw een nieuw winstgevend gewas zou krijgen. In het hele Keizerrijk, dus ook in de departementen die het Koninkrijk Holland hadden gevormd, moesten op korte termijn bieten worden gezaaid. In totaal ging het om 32.000 ha, waarvan ongeveer 2000 in de Nederlandse departementen.(43)


Ambities bietenteelt te ambitieus

Het informatiepakket dat de Prefecten ontvingen, bevatte behalve de tekst van het Decreet ook een Franse brochure over het maken van bietsuiker en aanwijzingen voor de bietenteelt. De instructies aan de prefecten kwamen erop neer dat zij zoveel mogelijk ruchtbaarheid aan dit plan moesten geven en eventueel de brochures moesten laten vertalen.

De datum waarop dit grootscheepse plan gelanceerd was, maakte het eigenlijk al meteen onmogelijk om de ambitieuze doelstellingen te realiseren. Als men werkelijk in het najaar van 1811 al bieten van 32.000 ha had willen oogsten, zou er uiterlijk medio mei gezaaid moeten worden. Hooguit anderhalve maand restte er dus om bijvoorbeeld in Nederland eigenaren en pachters van 2000 ha enthousiast te maken voor dit gewas. In diezelfde korte tijd zouden ze het land moeten vrijmaken, zaad kopen en instructies over de teelt krijgen. Het was een onmogelijke opgave die de Prefecten gesteld werd, want zo goed als niemand in het land had ervaring met bietenteelt.

Echte onwil om mee te werken ontmoetten de Prefecten nergens, maar de praktische problemen waren groot. Bietenzaad was uiterst schaars. De Prefect van het Departement Monden van de IJssel, Hofstede, was persoonlijk al enkele jaren eerder met bietenteelt begonnen en hij kon blijkbaar van zijn akkers enkele kilo's zaad leveren, voldoende om 20 ha mee in te zaaien. Maar Hofstedes opdracht luidde om in zijn Departement 300 ha te laten bezaaien. Met veel moeite kon hij nog 30 kilo zaad uit Berlijn laten komen, maar dat bleek van een bedroevende kwaliteit.

In het Departement Boven-IJssel waren de moeilijkheden identiek. De boeren wilden best meewerken, maar door zaadgebrek bleef het areaal beperkt tot 60 ha, waarvan in het najaar 1020 ton bieten werd geoogst. Het Departement Zuiderzee was uitzonderlijk productief, want daar slaagde de Prefect met hulp van zijn onderprefecten erin om 200 ha beschikbaar te krijgen. Deze twee Departementen werden door Montalivet, de Minister van Binnenlandse Zaken, in zijn eindrapport over 1811 aan Napoleon als uitzonderingen binnen het hele Keizerrijk vermeld wegens hun hoge opbrengst.

De Franse autoriteiten hadden al in mei en juni van dat jaar van alle kanten vernomen dat het doel van 1811 onhaalbaar was. Ook 1812 zou, naar men vreesde, problematisch worden, want er waren veel te weinig bieten aangeplant om zaad voor het volgende jaar te leveren. Ondanks deze sombere berichten verscheen op 15 januari 1812 een nieuw Decreet van Napoleon: 100.000 ha moesten bietenland worden, 11.500 daarvan in Nederland.

Voor de Nederlandse Departementen was dat een absoluut onmogelijke opgave, was de conclusie van twee landbouwkundigen. Van Eys en Jan Kops lieten in een rapport zien dat bijvoorbeeld het arrondissement Utrecht in Departement Zuiderzee maar 5347 ha grond beschikbaar had voor alle vormen van akkerbouw. De 1000 ha die er op keizerlijk gezag voor bieten moesten worden gereserveerd, waren uit de lucht gegrepen. Met heel veel moeite zou het Departement als geheel misschien 600 ha kunnen leveren - in Parijs had men op 2000 gerekend.

De teeltzijde van Napoleons bietsuikerplan was al met al erg optimistisch.


Fabrieken voor bietsuiker

De Prefecten hadden in maart 1811 ook de opdracht gekregen om te zorgen voor fabrieken die de bieten konden verwerken. In het Departement Boven-IJssel was al heel snel gereageerd op de oproep. Baron Van Lynden van Hemmen had zelfs al voor de zomer een fabriekje in Wageningen opgezet. Tezelfdertijd vormden enkele raffinadeurs uit het westen van het land een compagnonschap om een fabriek in Oosterbeek te bouwen. In de omgeving van Zutphen was weliswaar onvoldoende geld beschikbaar voor een grote fabriek, maar de onderprefect hoopte de aanzet te geven voor een groot aantal kleine bedrijfjes.

De wasmolen

Elders in het land sloeg het idee van bietsuikerfabricage vooral aan bij raffinadeurs. Zij hadden immers al enkele jaren te kampen met een tekort aan rietsuiker. De bieten die in de omgeving van Utrecht werden geteeld, werden aangekocht door de Utrechtse raffinadeur J.O. van Beek; twee Amsterdamse bedrijven, van de Wed. Scholten en Gerrit Bosch & Zoon, verwerkten de oogst uit de omstreken van Amsterdam en Haarlem.[85]

Het was echter teleurstellend dat de Franse regering aanvankelijk geen enkele financiële tegemoetkoming verleende aan hun pogingen om van deze nieuwe grondstof een goed product te maken. Daar kwam echter verbetering in met het Decreet van 1812. Er zouden door het hele Rijk 500 licenties worden uitgereikt aan degenen die minimaal 10.000 kilo ruwe suiker beloofden te maken. Als die hoeveelheid gehaald werd, kon de fabrikant rekenen op vier jaar belastingvrijstelling voor zijn bedrijf. Dat voordeel kon ook een onbeperkte tijdsduur krijgen wanneer iemand een bijdrage leverde aan een verbetering van teelt of productiewijze.

Twintig Nederlandse gegadigden meldden zich in het voorjaar van 1812, een aantal van hen had in het voorgaande jaar ook al een fabriek in werking gehad.[86]

In de loop van 1811 had men zich in Parijs gerealiseerd, dat er snel meer personen nodig waren die vertrouwd waren met de verschillende aspecten van de fabricage. In januari 1812 werd dan ook bepaald dat er in het Rijk vijf scholen-annex-fabrieken zouden komen. Elk Departement mocht een leerling sturen, die voor een cursus van drie maanden een vergoeding ontving van 1000 Francs. Die moest wel een bepaalde basiskennis bezitten, want men liet alleen studenten in de farmacie, medicijnen of scheikunde toe.[87] In ieder geval drie Nederlanders hebben dergelijke cursussen gevolgd: Jac. Joh. Peters uit Middelburg en de medicus Robert de Rouville uit Franeker gingen naar de school in Douai; aan de school in het Oostfranse Wachenheim meldde zich de Amsterdamse apotheker Jan Mulder Schut.

De beginnende suikerfabrikanten kregen ook andere hulp om de productie op gang te brengen. Enkele Franse deskundigen reisden door het Rijk en bezochten de fabrikanten. J. Bonmatin, schrijver van een fabricagehandboek, bezocht in maart 1813 onder meer Utrecht en Amsterdam. Zijn bevindingen waren erg hoopgevend, zo meldde hij, want er was een levendige belangstelling. De fabrikanten volgden de voorschriften niet blindelings, maar hadden zelf al enkele verbeteringen uitgedacht en in praktijk gebracht. De sinds kort werkende fabriek van H.G. Frerichs kon met name de goedkeuring van Bonmatin wegdragen. De Amsterdamse raffinadeurs-bietsuikerfabrikanten hadden zelfs een speciale vergadering belegd, waar Bonmatin met hen en enkele scheikundigen uit de stad uitgebreid op de technische en scheikundige details kon ingaan.

Het werk in de Amsterdamse raffinaderij 'De Granaatappel', voordat het bedrijf in 1842 op stoom overging

Volgens de officiële brochures en handleidingen konden er grote winsten worden gemaakt in deze nieuwe bedrijfstak. Zulke berekeningen waren aan de optimistische kant, omdat ze geen rekening hielden met de problemen die men in de praktijk tegenkwam: bieten die ten hoogste 2% van hun gewicht aan suiker bevatten, hoge lonen of brandstofkosten, onervarenheid met het raffineren. Toch leek in sommige bedrijven de productie werkelijk te renderen, zoals Tabel 7.5, een berekening uit een vermoedelijk Rotterdams bedrijf, laat zien.(zie tabel 7.5)