De concurrentie in het goederenvervoer tussen de twee wereldoorlogen

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Voor de zware kolentreinen vanuit Limburg naar het noorden van het land hadden de Nederlandse Spoorwegen in de jaren twintig zware stoomlocomotieven in dienst genomen.
Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog was het goederenverkeer over de weg in de Randstad begonnen, maar in de tien jaar na 1928 groeide het in alle overige regio's veel sterker, met name in Groningen, Gelderland en Noord-Brabant, precies daar waar de nieuwe Nederlandse industrie zich ontplooide. Volstrekt onverwacht kon de binnenvaart nu ineens in gebieden met een gebrekkige vaarwegeninfrastructuur zoals Twente en de Achterhoek met het railvervoer concurreren, mede doordat voor de aan- en afvoer van goederen nu van vrachtauto's gebruik kon worden gemaakt. Zo meldden verscheidene Twentse bedrijven aan de commissie-Patijn: "Voor de industrie in Twente is het vervoer per boot en per vrachtauto het enige middel om nog te concurreren. Voor zo'n uithoek des lands worden de spoorwegvracht-kosten veel te hoog."[59]


Tot de Eerste Wereldoorlog was het Nederlandse goederentransport voornamelijk gegroeid door de behoeften van de ons omringende landen, met name Duitsland, in combinatie met de Nederlandse vrijhandelspolitiek. De belangrijkste verkeersaders daarvoor waren de grote rivieren, met als knooppunten de Nederlandse zeehavens, vooral Rotterdam. Het binnenschip en het zeeschip verzorgden meer dan 90% van dit internationale vervoer. Hoewel deze vorm van internationaal vervoer tijdens het Interbellum bleef groeien, nam het relatief gesproken af, omdat het vervoer ten behoeve van de eigen regio's opkwam. Het internationale vervoer ten behoeve van deze regio's werd door het hoofdspoorwegnet verzorgd en voor een nagenoeg verwaarloosbaar gedeelte door de vrachtauto. In het binnenlands vervoer lag dit echter anders: hier overheerste aan het eind van het Interbellum de vrachtauto met 60%, tegen 30% voor de binnenvaart en 10% voor tram en trein. De vrachtauto had hier een lucratieve niche gevonden, zoals de vervanging van de paardentractie, het vervoer van bederfelijke waar zoals ijs en bloemen, de regionale distributie, de kolenhandel en de aan- en afvoer naar en van het binnenschip.[60]


Binnenvaart in de Oude Gracht te Utrecht, 13 februari 1926.
Capaciteitsgroei

Op capaciteitsbasis was de groei van het vrachtautoverkeer enorm: doordat het totale laadvermogen tussen 1928 en 1938 verdrievoudigde en ook de gemiddelde rijsnelheid aanzienlijk steeg, groeide de verkeersprestatie (in ton laadvermogen x km) met een factor 3,5 tussen 1923 en 1935 (daarna daalde het weer iets). Daardoor ontstond, in een situatie waarin vooral Nederland hard werd getroffen door de wereldcrisis, een meedogenloze strijd om lokale en regionale vracht. Die strijd werd allereerst gevoerd door het geregeld vervoer (dat tussen vaste plaatsen reed volgens een dienstregeling en met verreweg de meeste ritten korter dan 50 km). Dergelijke bodediensten waren namelijk inmiddels aan een proces van motorisering begonnen, hetgeen ook in dit marktsegment tot overcapaciteit en een felle concurrentie leidde, zowel onderling als met de tram en het binnenschip. Als een gevolg daarvan stapten vele beurtschippers over op de vrachtautoversie van de T-Ford, zoals in de stad Groningen. Hier werden in 1922 nog 134 bodekarren, 17 bode-auto's (oude T-Fords) en 3 hondenkarren geteld, maar waren in 1930 de hondenkarren verdwenen, reden er nog slechts 40 bodekarren en werd de bulk van de vracht door 246 T- en A-Fords en Chevrolets verzorgd.[61] In 1939 voerden in Nederland 3000 lijn- en bodediensten meer dan 15.000 ritten per week uit, waarvan 2500 nog met paardentractie.


Wilde vrachtauto's

Nog heftiger dan die van het geregeld vervoer was de dreiging die van de "wilde vrachtauto's" uitging. Zij schuimden de vervoersmarkt af met zeer lage vrachttarieven en drongen ook het zogenaamde "eigen vervoer" terug, van 62% naar 49% (gemeten in laadcapaciteit). Gekocht op afbetaling, doken zo de duizenden Ford-modellen TT en AA (de vrachtautoversies van de T- en A-modellen) op, in de jaren dertig aangevuld met en uiteindelijk overvleugeld door Chevrolets en Opels. De vervoersprestatie van deze vrachtauto was veel lager dan de verkeersprestatie: door een beladingsgraad van om en nabij de 42% was meer dan de helft van de over de Nederlandse wegen vervoerde laadruimte leeg.[62]


Vrachtauto en trein

Overzicht van de overslag van chemicaliëen nabij de spoorhaven Helmond omstreeks 1935.

De concurrentie tussen vrachtauto en trein op het gebied van het goederenvervoer leidde bij de laatste tot specialisatie op het kolenvervoer en tot pogingen om een dam tegen de vrachtautoconcurrentie op te bouwen. Dat laatste kwam tot uiting in de oprichting in 1927 van de ATO (de N.V. Algemene Transport Onderneming), waarin het kort tevoren overgenomen Van Gend & Loos werd ondergebracht. Daarmee was de grootste onder één beheer staande vrachtautovloot in Nederland ontstaan.[63]


Toen de commissie-Patijn ter ondersteuning van haar onderzoek een enquête naar de concurrentieverhoudingen tussen railvervoer, autobussen en vrachtauto's organiseerde, bleek dat het goederenvervoer per vrachtauto al in 1923 goedkoper was dan het vervoer per spoor. Volgens de Nederlandse Spoorwegen was de oorzaak hiervan dat de vrachtwagenondernemers veel flexibeler konden opereren en zij hun prijs soepel aan de omstandigheden konden aanpassen.[66] Ook bedrijven klaagden over de hoge kosten van het railvervoer en over de tijd die het spoor nam om vracht te bezorgen. De concurrentie om het vrachtvervoer op de binnenlandse regionale en interlokale markt werd gewonnen door de vrachtauto. Vóór de Tweede Wereldoorlog, wel te verstaan.

De binnenvaart bleef een constante factor in de Nederlandse transportsector. Door de combinatie te zoeken met de vrachtauto kon de binnenvaartschipper goed concurreren met de spoorwegen. Op deze drukke kade aan het Binnen Damsterdiep te Groningen staan de wagens gereed de vracht over te nemen (1926).

Vrachtauto en binnenvaart

Niet alleen de trein, ook de binnenvaart ondervond grote concurrentie van de vrachtauto. Een diepe crisis was het gevolg, nog eens verergerd door een overcapaciteit die het gevolg was van motorisering, betere vaarwegen en snellere overslagtechnieken. Er ontstond 'een schipperij (die) leeft op de grens van pauperisme'. zoals een rapport in 1936 het uitdrukte. Dat leidde tot een (overigens weinig succesvol) ingrijpen door de landelijke overheid, die via een Wet op de Evenredige Vrachtverdeling in 1933 de vrije concurrentie ophief en met behulp van bevrachtingscommissies de nood enigszins probeerde te lenigen.[64]


Vrachtauto en tram

Veel ernstiger, echter, was de concurrentie van de vrachtauto met het goederenvervoer per tram, dat immers een uitsluitend regionaal karakter had. Nog in 1922 was dit laatste omvangrijker (in miljoenen ton) dan het wegvervoer. In 1930 keerde het tij echter en gingen ook de tramwegmaatschappijen zelf ertoe over het goederenvervoer per vrachtauto te verzorgen.[65]