De spoorweg: het publiek en het dagelijkse leven

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Traditioneel transport verliest de strijd

Een van de eerste gevolgen van de opening van de spoorlijn Amsterdam-Haarlem was dat van de meer dan twintig dagelijkse veerschuiten tussen beide steden er nog maar twee overbleven. Het vervoer van reizigers werd vrijwel helemaal door de nieuwe stoomtrein overgenomen. Alleen de regelmatige beurtvaart, die hoofdzakelijk het goederenvervoer diende, bleef bestaan. En zo was het overal zodra de trein verscheen.

Het reizend publiek gaf duidelijk de voorkeur aan de weliswaar nogal hotsende en botsende, maar snelle trein, boven de rustig voortglijdende trekschuit. De directie van de HIJSM had er bovendien voor gezorgd dat de prijs van de derde klasse even hoog was als die van de trekschuit, zodat de concurrentie vrijwel doodgedrukt werd. In 1860 werd de regelmatige vaart tussen de beide steden officieel gestaakt en alle reglementen, die vaak nog uit de zeventiende eeuw dateerden, opgeheven. Toch bleef er nog één schipper varen, die vooral de tussengelegen plaatsen en boerderijen, waar de trein natuurlijk niet stopte, bediende.[42]

Station Amsterdam-Weesperpoort van de NRS

Ook de regelmatige wagen- en diligencediensten tussen beide steden waren op slag verouderd en overbodig. Oude verbindingen, die parallel met de spoorlijn liepen, werden overal opgeheven.


Nieuwe werkgelegenheid

Daar stond tegenover dat er een nieuw net van wagendiensten ontstond, waarmee verder afgelegen plaatsen met een spoorwegstation werden verbonden. En ook in de steden, speciaal in Amsterdam, werd er een nieuw netwerk van omnibusdiensten in het leven geroepen, waarmee de reizigers snel van en naar het spoorwegstation gebracht werden. En hoewel de komst van de spoorwegen voor sommigen ongetwijfeld werkloosheid betekende, schiepen de nieuwe ondernemingen ook nieuw werk, zowel voor geschoolden als voor ongeschoolden.

Voor Haarlem werd vooral de werkplaats van de HIJSM zeer belangrijk voor de werkgelegenheid, en in Arnhem en Oosterbeek veroorzaakte de opening van de Rijnspoor een hausse in de bouw van uitspanningen en pensions, nu de reiziger zo gemakkelijk uit Holland in deze toen ook al populaire streek kon komen.[43]


Goedkope pleziertreinen

Voorlopig bleef reizen duur: de lagere standen konden het zich vroeger ook al niet permitteren en de trein bracht daar weinig verandering in. Vooral de sociale bovenlaag reisde, en die raakte al gauw in de ban van het nieuwe vervoermiddel, dat snelheid en veiligheid bracht, waardoor de afstanden slonken. Door het inleggen van goedkope pleziertreinen probeerden de spoorwegen al vroeg hun klandizie uit te breiden over de rest van de samenleving, en niet geheel zonder succes.


Schrijvers reageren wisselend op de komst van de trein

De acceptatie van de nieuwe spoorweg is voor een deel af te lezen uit de literatuur van die dagen. De dichter A.C.W.Staring had al in 1829 - dus tien jaar voor de opening van Amsterdam- Haarlem - een grappig gedicht geschreven over de snelheid van de trein, terwijl Nicolaas Beets (pseudoniem: Hildebrand) in 1837 in zijn Camera Obscura de aanstaande komst van de spoorweg in Nederland met vreugde had begroet. Anderen, zoals Jacob van Lennep, waren sceptisch: de economische voordelen zouden wel eens veel kleiner kunnen zijn dan men zich voorstelde, terwijl het gevaar voor de bestaande dijken niet denkbeeldig was. J.Kneppelhout, hoewel een groot reiziger, had weinig lof voor de sneltreinen die hij in Engeland had bereden, maar Isaäc da Costa zag met de komst van de spoorwegen een nieuw tijdperk beginnen. De nieuwe goden waren "Kunst, Kracht en Industrie" en de nieuwe eredienst was die van het "Genie".[44]


Pionier in telegrafie

Een nieuwigheid die het publiek al gauw bleek te appreciëren was de electromagnetische telegraaf, die de HIJSM in 1845 langs haar lijn Amsterdam-Haarlem, naar het ontwerp van E.Wenckebach had doen spannen. Eerst was die telegraaf alleen bedoeld voor de spoorwegdienst zelf, maar al snel bleek er een behoefte te bestaan aan een openbare dienst, en dus stelde de maatschappij de lijn ook open voor particuliere berichten. In 1847 was de draad doorgetrokken tot Rotterdam en er werd toen al zoveel gebruik van gemaakt, dat een tweede draad nodig bleek. Andere lijnen, zoals Amsterdam-Den Helder, ook aangelegd door Wenckebach, volgden spoedig en in 1852 nam het Rijk alle bestaande openbare telegraafdiensten over. De HIJSM had hierin dus een pioniersrol gespeeld.[45]