De stoomkorenmolen van Cantillon

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Een windkorenmolen kon aangepast worden om op stoom te werken

Een van de eerste stoomkorenmolens, waarschijnlijk de eerste op het huidige Nederlandse grondgebied, was die van Lodewijk Cantillon in 1828 te Amsterdam.[18] De molen bracht heel wat beroering teweeg, zijn geschiedenis was er een van tegenstand en tegenslagen, en illustreerde de problemen rond de eerste stoomkorenmolens.


Beroering bij omwonenden, molenaars en de gemeente Amsterdam

Cantillon, inwoner en vermoedelijk graanhandelaar te Hasselt, diende op 31 januari 1827 een verzoek in bij koning Willem I om een stoomkorenmolen te mogen oprichten.

De procedure vereiste raadpleging van de direct omwonenden. Deze waren volstrekt tegen, vanwege het 'springen der stoomketel, de gevaar van brand en andere ... onberekenbare rampen ...'. Zij vreesden ook een ernstige waardevermindering van hun panden door de 'dikke wolken der kolendamp, de slegte reuk, het geraas der machiene, zelfs 't vermenigvuldigen der ratten en andere ongedierten door het koren aangehaald ...'. Zeventien omwonenden ondertekenden het protest.[19]

Een snelle reactie kwam eveneens van de windkorenmolenaars die 'met schrik en verbazing vernomen hebben, dat aan Uwe Majesteit een verzoek is ingediend tot authorisatie van een stoomkorenmolen ..'.[20] Zij vreesden 'eene totale ruïne' voor het molenbedrijf, 34 in getal en bestaansrecht verschaffend aan ruim 170 huisgezinnen. Er was aan een stoomkorenmolen in Amsterdam in het geheel geen behoefte. De molen zou slechts 'ongelukkige gevolgen' hebben voor de molenaars met 'hunne zoo zwaaraangekochte panden ...' , maar ook voor de overheid, omdat door de windmolens 'zeer aanzienlijke lasten worden opgebragt. ...die grotendeels zouden komen te vervallen ...'.[21]


De gemeente Amsterdam deelde de ingebrachte bezwaren. De commissaris van de publieke werken merkte op dat 'de plaats waar de oprichting verzocht is, het fraayste en aanzienlijkste gedeelte van dat kwartier deezer stad uitmaakt ...'. In het algemeen was zijn principe dat stoomwerktuigen 'van de woonhuizen behoren te worden verwijderd en in min bebouwde en min aanzienlijke gedeelte der stad ... behoren te worden opgerigt'.[22] De commissaris voor de stedelijke accijnzen en belastingen ondersteunde de bezwaren van de windmolenaars. Zijns inziens was er geen behoefte aan een toenemende concurrentie en het zou 'derhalve nuttiger zijn de ondernemingsgeest der Inlanders eene rigting te geven, die niet uitloopt tot omverwerping van hetgeen goed aanwezig is, maar tot vermeerdering en verbetering der algemeene middelen van bestaan en welvaart'.[23] Burgemeester en wethouders brachten de verschillende bezwaren en commentaren ter kennis van de gouverneur van Noord Holland, die op zijn beurt weer rapporteerde aan de koning.

Bouwtekening Haarlemmer Houttuinen 39-43, Stoomkorenmolen (1838)


Van start

Koning Willem I verleende echter toch vergunning, zij het na een nieuw verzoek van Cantillon die inmiddels een andere plaats had uitgekozen. Cantillon maakte geen gebruik van een bestaande windmolen, maar bouwde een afzonderlijke stoomgraanmaalderij. Hij installeerde aanvankelijk één stoommachine met een ketel en vier koppels molenstenen, waarvan twee in bedrijf en twee in onderhoud (i.h.b. voor het billen van de stenen).

Cantillon had hoge verwachtingen van zijn bedrijf. Nog voordat het in werking trad, vroeg zijn zoon toestemming om - indien nodig - 's nachts en op zon- en feestdagen door te mogen werken. De molen moest zoveel mogelijk onafgebroken in bedrijf zijn, daar het opstarten van de stoomketel een kostbare zaak was.[24] Ook bouwde Cantillon in hetzelfde jaar dat zijn stenen begonnen te malen, nog eenzelfde productie eenheid erbij. In principe kon de maalderij - naar zijn zeggen - 3000 ton graan per jaar vermalen, dat wil zeggen vijf à zes maal zo veel als een grote windkorenmolen.


Tegenwerking en stopzetting

Deze productie vereiste een groot afzetgebied. Om klanten te werven, probeerde Cantillon zijn maalloon scherp te stellen. In Amsterdam gold als tarief 85 ct. per mud tarwe en 82,5 ct. per mud rogge. Cantillon vroeg echter 73 ct. en 50 ct. De reactie van de windkorenmolenaars bleef niet uit. Zij begonnen onder de prijs van Cantillon te werken. Cantillon trachtte nog tevergeefs het tij te keren en tot overleg met de molenaars te komen. Deze weigerden resoluut en wezen het verzoek naar zijn zeggen - vijandig en 'op zeer onheusche wijze' af.[25] Daarna werden de berichten over de stoomkorenmolen schaars.

Cantillon redde het niet. De maximaal haalbare produktie bereikte hij bij lange niet. In 1842 gaf B.H. Zwart, stoomkorenmolenaar en zeepzieder in Weesp, zijn visie op de teloorgang van Cantillons molen. Die werkte toen al jaren niet meer, 'daar de stoommachine daartoe ten eenenmale ongeschikt was, en de ondernemers zelf geene genoegzame kennis hadden hoedanig met zulk een machine te werken. Deze Molen [heeft] dan ook sedert langen tijd opgehouden te werken, en [zal] vermoedelijk nimmer weder in werking komen, nu de deelgenoten zints jaren onderling zich in processen hebben gewikkeld en in oneenigheden zijn geraakt'.

Zwart wees vervolgens op de noodzaak van een voldoende meelvoorziening in tijden van windstilte, en verzocht om toestemming om zelf een stoomkorenmolen met zes paar stenen op Amsterdams grondgebied te beginnen.[26]