De wipkraan

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

De wipkraan (ook wel genoemd: topkraan) bracht in de jaren twintig een belangrijke verbetering van de techniek van de Rotterdamse stukgoedoverslag. Rond 1920 hadden havendraaikranen dikwijls reeds een verstelbare giek.[40] Echter, het veranderen van de stand van de giek van een minimale naar een maximale reikwijdte vergde veel tijd, ongeveer vijf minuten, terwijl deze operatie in de regel niet mocht geschieden met de last hangend aan de haak. Deze beweging (het zogenaamde ‘derricken’) werd dan ook op de meeste plaatsen een gering aantal malen per week toegepast en kon niet als ‘een normale werkbeweging’ worden beschouwd.

Het typische van een wipkraan was dat het veranderen van de stand van de giek (het zogenaamde wippen, ook wel genoemd: toppen) met de last hangend aan de haak kon geschieden. De constructie van een wipkraan was namelijk zodanig dat bij het wippen de last (nagenoeg) op gelijke hoogte bleef. Hierdoor was er geen energie nodig om de zwaartekracht te overwinnen. Uit de mogelijkheid van het wippen vloeiden verschillende belangrijke voordelen voort:

• de giek kon hindernissen zoals scheepsmasten en gebouwen ontwijken en kon dus een grotere lengte krijgen, waardoor hij beter direct in het ruim kon werken;

• het was nu beter mogelijk tegelijkertijd met het laad- en losgerei van de schepen en met de wipkranen te werken;

• wipkranen konden veel dichter naast elkaar werken: het was dus mogelijk met meer kranen per schip te werken dan voorheen;

• de wipkraan kon de last – binnen zijn reikwijdte – op elke gewenste plaats op de kade neerzetten of oppakken. Een gewone draaikraan was gebonden aan zijn vaste draaicirkel en het verrijden van deze kranen vergde te veel tijd en energie.

Het principe van de wipkraan was reeds in het begin van de twintigste eeuw bekend, maar werd pas in de jaren twintig op grote schaal ingevoerd in de stukgoedoverslag in de Noordwest-Europese havens. Aanvankelijk zullen de Rotterdamse stuwadoors de wipkraan hebben aangeschaft om te profiteren van de zojuist opgesomde voordelen, net als hun tegenhangers in buitenlandse havens. In de praktijk merkten de Rotterdamse stuwadoors echter dat de wipkraan ook de specifieke mogelijkheid bood tot directe overslag tussen zee- en binnenschip, zonder gebruik van het scheepsgerei.

In de jaren dertig bestelden de Rotterdamse stuwadoors daarom wipkranen met een ‘lange lat’. Deze kregen een reikwijdte tot 36 meter, waarmee Rotterdam zich duidelijk onderscheidde van de andere havens. De ‘lange lat’ kon zo worden ingezet dat hij voornamelijk in een rechte beweging lading uit het zeeschip in het langszij liggende binnenschip loste: het meer tijdrovende zwenken van de kraan werd dan zoveel mogelijk vermeden (op dezelfde manier werkende drijvende wipkranen kregen de veelzeggende bijnaam ‘jojo’s’).

De wipkraan
In de Rotterdamse stukgoedoverslag

trad tussen 1929 en 1936 een productiviteitsstijging van liefst 67,6% op.[41] Deze stijging werd vooral toegeschreven aan de inzet van de wipkraan. Daar hing uiteraard wel een prijskaartje aan. De aanschafkosten waren hoger (20-30% bij een reikwijdte tot 19 meter) dan die van een kraan met een vaste arm, terwijl ook het energieverbruik groter was (10-15%).[42]

Voor de Rotterdamse wipkranen met hun uitzonderlijk grote reikwijdte was dit prijsverschil uiteraard nog groter. De variatie in de constructie van de wipkranen was enorm. Er waren vele manieren om de last tijdens het veranderen van de stand van de giek (nagenoeg) horizontaal te houden. Reeds in 1924, dus nog vóór de introductie van de wipkranen in de stukgoedoverslag op het Europese continent, waren er door Engelse fabrikanten acht constructies ontwikkeld.[43] De wipkraan die J.J. Borren van Conrad Stork in 1922 presenteerde, was dan ook niet meer dan één van de vele mogelijke constructies. Uit de tekening en de daarbij behorende beschrijving valt af te lezen hoe de draadlengte automatisch werd aangepast aan de stand van de giek.