Energie en het molenbedrijf

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Brood, hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding, werd in de eerste helft van de negentiende eeuw nog net zo bereid als eeuwen daarvoor, met de hand, met meel van plaatselijk graan dat in de dorps- of stadsmolen gemalen was, met ingrediënten en volgens recepten die van streek tot streek van generatie op generatie waren overgeleverd.
Rij korenmolens te Den Haag eind 18e eeuw


Het molenbedrijf zoals dat tot het midden van de negentiende eeuw in Nederland voorkwam, was evenmin veranderd sinds de achttiende of zelfs zeventiende eeuw. Het graan werd fijngewreven tussen twee geruwde stenen. Op het platteland maalde de molenaar de graansoort die in zijn omgeving werd verbouwd. In enkele havensteden kwam ook graan uit overzeese streken bij de molenaars terecht.


Mensen, dieren, watermolens of windmolens zorgden voor de aandrijving. Windmolens domineerden. Hun aantal werd rond het midden van de negentiende eeuw ten behoeve van het malen en pellen van graan en boekweit geschat op 1800. Daar tegenover stonden 200 watermolens.

Paardenmolens waren er ook in groten getale (1300), vooral voor het malen van boekweit. Verder werden ongeveer 400 handmolens officieel geregistreerd bij de uitoefening van een bedrijf. Stoom als de nieuwe energiebron was in deze periode in de statistiek nog slechts marginaal aanwezig. Wel vormde stoom de voorbode voor de grote veranderingen die zich in de daaropvolgende decennia voltrokken.(zie tabel 3.1)

Tabel 3,1.jpg

Veertig jaar later was het aantal stoommolens toegenomen tot meer dan tweehonderd en waren er tientallen meelfabrieken. Drie belangrijke veranderingen hebben zich in die jaren voorgedaan.

De klassieke krachtbronnen werden overvleugeld door stoom.

Het maalprocédé veranderde, wat meteen een nieuw produkt, bloem, opleverde.

De broodvoorziening veranderde, samen met de prijs en de kwaliteit van dit zo belangrijke volksvoedsel.


Stoom had als symbool van een nieuw tijdperk de toekomst. Toch verliep de overgang naar de moderne graanmaalderij anders dan men zou verwachten. Wie denkt dat de negentiende eeuw het einde van het molenbedrijf betekent, heeft het mis. Integendeel, het aantal windkorenmolens groeide tussen 1850 en 1860 met ca. 12% en bleef daarna stabiel. De windkorenmolen wist zich met succes te handhaven.