Frisdranken

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Wijziging consumptiepatroon

Tot de nieuwe verwen- en gemaksproducten bij avondjes en feestjes behoorde al spoedig een grote variatie aan alcoholische dranken en frisdranken. Koffie en thee bleven weliswaar populair, maar de stijging van het gebruik van koude dranken na de oorlog was opvallend. Met name de jeugd dronk graag fris-met-prik, waarbij de Amerikaanse Coca Cola favoriet was.

Daarbij hoorden zoute pinda’s en later ook aardappelchips, die krokant waren en dorstig maakten. Ook gefrituurde hapjes zoals bitterballen en steeds meer soorten knabbels en nootjes in allerlei vormen en smaken deden het goed bij bier en frisdrank. Als snoeperij tussendoor nam ook het gebruik van consumptie-ijs toe.

Deze snacks zijn typerend geworden voor de belangrijke positie die jongeren als doelgroep in de markt van voedings- en genotmiddelen sinds de jaren zestig zijn gaan innemen.

Bottellijn voor limonadesiroop, Marvelo (Albert Heijn), 1965.


Afzetmogelijkheden in Nederland

Ter gelegenheid van de opening van de nieuwe frisdrankenfabriek van Raak in Utrecht maakte de directeur, A. Bruinsma, enige cijfers bekend. Nederland dronk vele liters frisdrank, zo bleek uit de cijfers: gemiddeld 47 liter per persoon in 1969, was de verwachting. Dit betekende een snelle stijging ten opzichte van het jaar daarvoor (met 4 liter ofwel 12%). Nederland stond daarmee aan de top van ons continent. Elders in Europa (West-Duitsland, Engeland, Italië en Frankrijk) dronk men veel minder, alleen in Amerika gebruikte men nog veel meer liters, namelijk 70 liter per hoofd. Als de snelle stijging doorging, hadden Nederlanders Amerikanen in dit opzicht echter binnen afzienbare tijd ingehaald: in 1975!

De frisdrankenindustrie had daarbij, aldus Bruinsma, gemikt op de ‘thuismarkt’ (65% van de totale consumptie; de horeca verkoopt de rest). Met kennelijk succes, hetgeen de spreker van Raak toeschreef aan de ‘Hollandse huiselijkheid, de televisie, de centrale verwarming die steeds vaker wordt geïnstalleerd, en uiteraard de toenemende welvaart’. Voorts was in Nederland de frisdrank rond de 30% goedkoper dan elders, een gewichtige factor.

Uit hetzelfde bericht blijkt ook dat Raak dankzij de introductie van de gezinsfles van 1 liter en de nieuwe techniek van de ‘gasdichte schroefdop’ zo groot was geworden. De nieuwe fabriek beschikte over nog een technische vinding: ‘de bottellijn’, die met een capaciteit van 30.000 flessen per uur de grootste ter wereld was. Van groot belang voor de snelle groei was ook de ‘goede organisatie van de groothandel’. Het bericht eindigde met de mededeling dat melk en thee wel iets hadden geleden, maar ‘de grote verliezer’ was toch vooral het water uit de kraan.


Melkveehouders

Al vele jaren eerder, in 1957, was in Wolvega een andere frisdrankenfabriek geopend, die van Rivella. Het verschil tussen Raak en Rivella was gelegen in de grondstof: de Friese onderneming betrok haar materialen van de melkveehouders uit de omgeving. De techniek maakte het mogelijk om prik te maken op basis van wei. Van dit afvalproduct bij de kaas- en caseïnefabricage was rond 1950 een overschot ontstaan bij de melkfabrieken omdat de wei niet meer bij de veehouders kon worden teruggeleverd. Dankzij de frisdrankenindustrie kreeg het alsnog een nuttige bestemming.