Het Beiers bier in Nederland

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Afgezien van een aantal kleinere bedrijven, die in de jaren veertig en vijftig veelal kortstondig en kennelijk zonder succes 'Beijersch bier' trachtten te brouwen, was de Nederlandsche Beijersch Bierbrouwerij de eerste grote brouwerij in ons land die volgens de ondergistende methode werkte. De geslaagde start van het bedrijf toonde aan dat voor een succesvolle introductie van deze brouwwijze een samenhangend geheel van vernieuwingen op financieel, technisch en leidinggevend terrein nodig was.

Hulpmiddelen om bier te brouwen


De eerste moderne brouwerij in Nederland

De in Amsterdam gevestigde onderneming - de eerste nv in de brouwwereld - werd in 1864 opgericht met een maatschappelijk kapitaal van fl. 1.000.000, waarvan voorlopig 500 aandelen à fl. 1000 aan toonder werden uitgegeven. De aandeelhouders waren allen of vrijwel allen Nederlanders, maar de technische know how lag bij een van de vier directeuren, de Neurenberger H. Henninger.[63] De Koninklijke Nederlandsche Beijersch Bierbrouwerij begon in 1867, na de wijziging van de accijnswetgeving met de productie en was de eerste moderne brouwerij in ons land. Het bedrijf werkte met een omvangrijk kapitaal en relatief weinig arbeiders (ongeveer 50 in de jaren zeventig), maar met een voor de biernijverheid groot stoomvermogen (een machine van 20 pk en twee ketels voor verwarmingsdoeleinden).

Opmerkelijk genoeg heeft de brouwerij slechts in de beginperiode, toen men een zekere monopoliepositie had bij de productie van ondergistend bier in Nederland, met een goed financieel resultaat gewerkt. Het eerste jaar werd zelfs een dividend van fl. 130 per aandeel van fl. 1000 uitgekeerd. Daarna waren de resultaten matig. In 1927 is de Koninklijke Nederlandsche Beijersch Bierbrouwerij geliquideerd.

Als oorzaak van deze gang van zaken wordt genoemd het onvermogen om voldoende kapitaal voor vernieuwingen aan te trekken - wellicht ten gevolge van een minder goed beheer van het bedrijf.[64]

Overzicht Bierbrouwerij fabriekscomplex


Heineken

Een andere brouwer volgde spoedig het voorbeeld van de 'Koninklijke'. Het was Gerard Adriaan Heineken, de eigenaar van de bekende Amsterdamse brouwerij De Hooiberg. Hij had dit bedrijf, dat al bij de toepassing van stoomkracht ter sprake is gekomen, in 1863 voor ruim f 80.000 gekocht. Heineken was toen pas 22 jaar en had geen enkele ervaring in het brouwersvak. Hij koos voor deze tak van nijverheid omdat er bij goed beheer grote winsten te maken waren.

De protestantse familie Heineken was afkomstig uit het Noordduitse Bremen, van waaruit twee zoons rond 1750 naar Nederland vertrokken voor het volgen van een theologische opleiding. Een van hen, Nicolaas, werd ten slotte hoogleraar in de wijsbegeerte in Deventer. De ander, Didericus, vestigde zich als predikant in Elburg. Een zoon van deze Didericus vertrok aan het eind van de achttiende eeuw naar Amsterdam, waar hij een goed lopend exportbedrijf van boter en kaas stichtte. In dit bedrijf was waarschijnlijk ook Gerard Adriaans vader Cornelis enige tijd werkzaam. Een jaar nadat zijn vader in 1862 overleed kocht Heineken jr. De Hooiberg.[65]

Hij richtte dit bedrijf toen in voor de productie van het bovengistend Engelse ale. Dit bier was in de eerste plaats bedoeld voor de export, maar hiermee had men geen succes.

De nieuwbouw van de Heineken brouwerij te Amsterdam ca. 1867
De binnenlandse afzet was echter boven verwachting, zodat toch goede resultaten werden geboekt. De Hooiberg moest echter in 1865 omzien naar een nieuwe vestiging toen Nieuwe Zijds Voorburgwal gedempt zou worden.

Heineken ging zich in verband met de verplaatsing en daarmee opdoemende mogelijkheden tot uitbreiding, oriënteren op de Duitse methoden van bierbereiding. Hij deed dit waarschijnlijk onder invloed van de successen van het 'Beijersche bier' in ons land. Het in het najaar van 1867 gestarte nieuwe bedrijf produceerde aanvankelijk nog ale. Maar al na een half jaar reisde Heinekens procuratiehouder naar verschillende Duitse steden om er brouwerijen en machinefabrieken te bezoeken voor de verdere inrichting van de onderneming.

Hij contracteerde er ook de Duitse brouwmeester Wilhelm Feltmann jr., die voordien overigens al korte tijd in een brouwerij in Utrecht had gewerkt.[66] Feltmann, die in de Nederlandse brouwwereld een belangrijke rol als stimulator van vernieuwingen zou spelen, was bij zijn komst naar Heineken 22 jaar oud. Hij was geboren in Ruhrort bij Duisburg, waar hij na een middelbare schoolopleiding vanaf zijn zeventiende enige jaren in een brouwerij werkte. Na deze leerperiode had hij, zoals in Duitsland gebruikelijk was, enige tijd rondgetrokken om zich bij diverse brouwerijen in ondermeer Silezië, Bohemen en Frankfurt am Main verder te bekwamen.[67] Feltmann, een zeer energieke maar verre van gemakkelijke man, maakte ook voor Heineken nog een rondreis langs een aantal grote Duitse brouwerijen. Tijdens die reis raakte hij goed bekend met onder andere Gabriël Sedlmayer, de brouwer uit München en innovator op het gebied van de bierbereiding.

De ervaringen op de in de zomer van 1869 gehouden tentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt zijn voor Heineken mogelijk het beslissende argument geweest om over te schakelen op de productie van ondergistend bier, waar hij voordien al ernstig over had gedacht, zoals blijkt uit het aantrekken van Feltmann. Er was zelfs al geëxperimenteerd met de vervaardiging van enkele ondergistende soorten zoals het Dortmunder.

Vanaf begin 1870 ging Heineken & Co onder leiding van Feltmann en met personeel dat voor de helft uit Duitsers bestond, over op de productie van Beiers bier. Het eerste jaar kon het bedrijf daarbij profiteren van het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog, die de export van bier uit Duitsland enige tijd ernstig belemmerde.[68]


Heineken reclame-affiche

Heineken en de Koninklijke Nederlandsche Beijersch Bierbrouwerij bleven niet lang de enige bedrijven die ondergistend bier brouwden. In februari 1870 kregen jhr. C.A. de Pesters en W.E. Uhlenbroek van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland toestemming

'tot het oprigten eener Beyersche-bierbrouwerij, en het plaatsen van eene stoommachine met ketel.....'

Ruim een maand later droegen zij de vergunning over aan de firma De Pesters, Kooy en Co.[69] Deze firma trad op als vertegenwoordiger van een groep ondernemers en bankiers, die de financiering van het nieuwe bedrijf op zich had genomen. Deze in Amsterdam gevestigde Beijersche Bierbrouwerij De Amstel, zoals de onderneming ging heten, begon haar werkzaamheden in 1871.

In het najaar van het volgende jaar was het weer de beurt aan Heineken. Naar aanleiding van plannen van de Rotterdamse brouwerij d'Oranjeboom om ondergistend te gaan brouwen, deed Heineken aan directeur mr. W. Baartz het voorstel om samen te werken. Baartz accepteerde dit voorstel en vervolgens werd er een nv opgericht, waarin Heineken-Amsterdam werd ondergebracht, terwijl de combinatie tevens een nieuwe brouwerij in Rotterdam ging exploiteren.

De statuten van Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij nv (hbm), zoals de onderneming ging heten, ontvingen begin 1873 koninklijke goedkeuring. De nv had een aandelenkapitaal van f 1.200.000, dat was verdeeld in 240 aandelen van f 5000. G.A. Heineken en W. Baartz kregen hiervan respectievelijk 166 en 20 aandelen.[70] Heineken-Rotterdam, waar dus eveneens laaggistend werd gebrouwen, startte in het voorjaar van 1874.


Financiering en ondernemingsvorm

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden dat de introductie van de ondergistende methode niet alleen wat techniek betrof veranderingen in de brouwnijverheid bracht, maar dat de nieuwe werkwijze ook op financieel gebied de nodige gevolgen had. Geen enkele traditioneel bovengistend werkende brouwerij in Nederland had in de jaren zeventig een kapitaal van meer dan f 100.000. De nieuwe 'Beijersche' brouwerijen startten vaak met investeringen van meer dan een half miljoen. Deze bedragen had men vooral nodig voor de aankoop van stoommachines, koelinstallaties en het bouwen van grote opslagkelders.

Voor de financiering werd vooral bij de grotere bedrijven vaak, maar niet altijd, gekozen voor de nv-vorm. Na de Koninklijke Nederlandsche Beijersch Bierbrouwerij en de hbm volgden ondermeer in 1882 de in Den Haag gevestigde Zuid-Hollandsche Bierbrouwerij (zhb), terwijl acht jaar later ook de Amstelbrouwerij een nv werd met een kapitaal van f 1.200.000. Van de ongeveer 540 brouwerijen die er in 1890 in Nederland waren, hadden er tien de nv-vorm.[71]