Kooklerares tijdens de Eerste Wereldoorlog

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Om verantwoord te eten vooroordelen overwinnen

‘Proef eerst en oordeel dan.’ Zo luidde het advies van Martine Wittop-Koning in de introductie van haar boekje Wat zullen wij eten? Hoe zullen wij stoken? Aanvulling Broodrantsoen in 1917. Omdat sommige veelgebruikte voedingsmiddelen niet meer of slechts mondjesmaat verkrijgbaar waren, moesten er andere voor in de plaats komen om toch verantwoorde maaltijden op tafel te kunnen brengen. De huisvrouw zou haar gezin ‘vreemde’ etenswaren moeten voorzetten en moeite moeten doen om de vooroordelen van man en kroost te overwinnen. Vandaar de goede raad: ‘Begin niet met een leelijk gezicht te trekken, als ge hoort van iets vreemds. (…) Overwin uw angst voor het nieuwe (…) Weet ge wel hoeveel moeite het indertijd heeft gekost, om de menschen te overtuigen, dat de aardappel een goed voedingsmiddel was?’


Kaas, rijst en peulvruchten

Een centrale keuken in Amsterdam in 1918, waar dagelijks tussen de middag tweeduizend porties warme maaltijden werden verstrekt.

‘Vreemd’ was bijvoorbeeld het gebruik van kaas in de warme maaltijd. Kaas, vooral magere kaas, werd aangeprezen als voordelig voedsel ‘dat in waarde geheel gelijk staat met mager vleesch’. Het boekje bevat een aparte rubriek met ‘Gerechten die iedereen niet kent, maar die toch heel smakelijk en voedzaam zijn’: gestoofde aardappelen met kaas, stamppot van kool met kaas, savooienkool met rijst en kaas, rijst met kaas en uien, koolraap met groene erwten, botersaus en rijst, en koolraap met bruine bonen, speksaus en rijst.


Andere aanbevolen vleesvervangers waren de verschillende soorten peulvruchten. Deze konden ook af en toe het brood vervangen. Gezien de krapte van het broodrantsoen, moest ongeveer de helft van de hoeveelheid brood die men gewend was te eten, door iets anders worden vervangen, bijvoorbeeld aardappelen (liefst in de schil gekookt), erwten of bonen - al dan niet in de vorm van soep - rijstebrij, gortepap, havermout, rijstpudding of aardappelsla met bietjes, bonen of haring. Pap of soep kon men ook uit de Centrale Keuken halen.[107] Dat scheelde dan ook weer brandstof.


Adviezen om op brandstof te besparen: eetketeltjes en hooikisten

Aan brandstofbesparing werd in het genoemde boekje ook aandacht besteed. Aardappelen of soep konden best in één keer voor twee dagen worden gekookt; het opwarmen deed men de volgende dag dan op een kacheltje dat toch al brandde. Koken in de hooikist werd aanbevolen. In verschillende boekjes stonden beschrijvingen hoe men een dergelijke met hooi gevoerde kist kon maken, waarin het halfgaar gekookte eten ‘vanzelf’ verder gaar werd. Het warmhouden van eetketeltjes - waarin vader zijn prakje meenam naar het werk, in plaats van boterhammen - ging uitstekend in een zogeheten ‘krantenzak’: een zak, gemaakt van twee lagen stof, met als voering daartussen verfrommelde kranten.

Huisvrouwen die iets meer te besteden hadden, konden recepten van hun gading vinden in twee andere boekjes van Martine Wittop-Koning: Op rantsoen. Wenken voor de huisvrouw (1917) en Hoe voeden wij ons thans ’t best? (1918).

Wie zich artikelen kon permitteren als vermicelli, macaroni of griesmeel, die buiten de rantsoenering vielen, kon deze producten gebruiken voor soep en toetjes, en hield dan rijst over voor aantrekkelijker gerechten als risotto, nasi goreng of pilaw.

Niettemin werd ook deze vrouwen de hooikist en andere zuinigheidsmaatregelen geadviseerd en moesten zij zich ook maar niet verzetten tegen nieuwigheden.