Kwaliteitsverbetering van bietsuiker

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
Suikerfabriek Zwartenberg. Controleruimte hoofdgebouw
Analyse van suiker- en zoutgehalte


Analysemethoden voor bieten waren voor de industrie een onmisbaar richtsnoer om te zien of de productie wel optimaal was: hoeveel suiker ging via bietensnijdsel het proces in en hoeveel kwam eruit als suikerkristallen? Door die rekensom kreeg de fabrikant een idee hoeveel saccharose er onderweg verloren was. Het principe van gehalte-analyse was wegens zijn industrieel nut al sinds decennia bestudeerd en er bestonden verschillende methoden voor.

Toch was de industrie niet geneigd om die mogelijkheden te benutten en alle bietenleveranciers naar gehalte uit te betalen. Dr. Vitus Bruinsma, die zelf duidelijk aan de boerenkant stond, zei daarover heel eerlijk:

'Het bezwaar wat de fabrikanten voornamelijk aanvoeren tegen de aankoop van bieten naar gewicht èn suikergehalte, is dat er geen eenvoudige en zekere methoden zou bestaan om dit laatste te bepalen. Nu is het waar dat het bepalen van het suikergehalte met groote nauwkeurigheid een moeilijke en tijdrovende chemische arbeid is, die slechts aan zeer ervaren scheikundigen kan toevertrouwd worden.' [135]

Een ander argument voor de industrie om niet tot gehalteverkoop over te gaan, was de wetenschap dat het suikergehalte slechts een deel van de waarde van de biet uitmaakt. Als er veel zouten in zitten, is het bietensap beduidend moeilijker te bewerken: er is bij het kristalliseren meer tijd, dus warmte, nodig en het gevaar voor chemische omzettingen - inversie of melassevorming - is groter. Er zou daarom voor de fabrikant ook nog een andere analyse gedaan moeten worden, maar onderzoek naar zoutgehalte was nog weer moeilijker en tijdrovender dan dat naar suikergehalte.

Kortom, voor de industrie waren er argumenten te over, vooral wegens onnauwkeurigheid en tijd, dus mankracht, om zeer terughoudend te zijn.

Het inladen van zakken suiker


Organisatie van de monstername


Er waren echter ook fabrikanten die er, ondanks alles, welwillend tegenover stonden. H. Vrins, fabrikant in Bergen op Zoom, merkte in 1890 op dat in verband met de onderlinge verschillen tussen twee bieten uit eenzelfde veld, het monster aan de fabriek genomen moest worden. Anders was er geen enkele controle op de representativiteit van de steekproef. Zolang de boeren daar niet in toestemden, kon er geen sprake zijn van verkoop op gehalte.[136]

Zelf had hij een laboratorium aan de fabriek waar hij 2000 bieten per dag kon analyseren, maar dat was alleen als fabricagecontrole. Vrins was op zich welwillend in deze kwestie, maar hij zei van boerenzijde weinig medewerking te ontmoeten. Een aantal stemmingmakende figuren zei dat de monsters op het veld genomen moesten worden, waar de bieten groeiden. Verder was er een groot wantrouwen tegen degenen die de analyses verrichtten, omdat ze in dienst van de fabriek waren. Het was ondoenlijk om ze allemaal door Wageningen te laten uitvoeren.

De regering kwam overigens in dit bezwaar tegemoet door het Rijkslandbouwproefstation in Breda al in 1890 versneld te openen, zodat het klaar was om tijdens de campagne van 1890 analyses te laten doen. Die analyses zouden grondig en onafhankelijk zijn. Maar, naar de mening van Vitus Bruinsma hadden de fabrikanten in dezen gelijk door te zeggen

'dat er ook een eenvoudige methode moet bestaan, die zij zelf en ook de landbouwers zelf moeten kunnen toepassen.'[137]

Een eenvoudige en snelle methode bestond wel, maar was minder nauwkeurig. Veel fabrieken in Frankrijk en België maakten er gebruik van.[138]


Vertrouwenskwestie

Wat overbleef, was een vertrouwenskwestie. De fabrikant moest niet het onderste uit de kan willen hebben, dus zich tevreden stellen met de niet-optimale, snelle bepaling van het suikergehalte; de boeren moesten accepteren dat het monster door de fabriek en aan de fabriek werd genomen.

Tot een werkbare oplossing kwam alleen J.F. Vlekke. Vlekke had in de zomer van 1892 aan zijn Gastelsche Beetwortelsuikerfabriek een laboratorium van twee verdiepingen laten bouwen, waar hij een Belgisch landbouwkundig ingenieur aanstelde.[139]

Drie jaar later konden de leveranciers aan Vlekke's fabriek kiezen tussen de gewone levering op gewicht, of volgens het zgn. participatiecontract. Dat was een ingenieus, door Vlekke bedacht contract, waarbij de boer meer betaald kreeg boven de normale bietenprijs, naarmate zijn bieten beter waren. Bovendien konden ze in de fabriekswinst delen naar rato van de hoeveelheid en kwaliteit van de geleverde bieten. Op kosten van de fabriek mochten ze bij twijfel aan de analyses altijd in Wageningen een onafhankelijk onderzoek laten doen. De monsters werden aan de fabriek genomen en onderzocht door Vlekke's scheikundige en laboranten.

Deels werd de argwaan van de boeren weggewerkt door er geld tegenover te stellen, maar dat was niet genoeg. Vlekke was ervan overtuigd dat zijn plan alleen kon werken als er van beide zijden vertrouwen en eerlijkheid was. Dus ging hij in het voorjaar van 1895 zelf langs bij veel van zijn 1300 telers.

Het werkte. De gemiddelde bietenkwaliteit ging omhoog, de boeren kregen meer voor hun bieten; voor de fabriek was het ook extra winstgevend, waar de boeren weer in meedeelden. De eerstvolgende campagne, die van 1895/96, was meteen al zo succesvol dat er het volgend jaar geen 309 maar 800, met een totaal van 747 ha., meededen.[140]

In 1843 stortte de Rotterdamse raffinaderij van Van Oordt gedeeltelijk in

In ruil voor die medewerking adviseerde Vlekke 'zijn' boeren ook over betere teeltmethoden. In eigen beheer gaf hij een tijdschrift uit, de Bladen voor de suikerbietenteelt. Deze door hem bewerkte vertaling van een Duits blaadje kregen alle leveranciers van zijn twee fabrieken gratis. Hij en bekenden, zoals de Zeeuwse landbouwkundige W. Kakebeeke, voegden er artikelen aan toe. De boeren konden lezen over het gebruik van chilisalpeter en superfosfaatbemesting, allerlei adviezen die niet alleen de bietenteelt ten goede kwamen.

Belangrijk was, dat dit soort informatie de boeren met zachte hand dwong om scherp op te letten. Hoe dit precies uitwerkte in de opbrengst van andere producten, is niet na te gaan. Het leverde de boeren in elk geval meer geld op, net als de fabrikant.

Het participatiecontract werd door slechts twee andere fabrieken overgenomen: in Halfweg en in de nieuwe fabriek in Groningen, beide gelegen buiten de haard van bietenoorlog.

Verder was het feit dat dit systeem voor teler en verwerker naar wens functioneerde, een reden om een coöperatieve fabriek te blijven overwegen. In 1899 kwam, na vijf jaar voorbereiden en vooral organiseren, in Sas van Gent de Eerste Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek tot stand. De boeren wisten hoe ze zelf op een winstgevende en eerlijke manier, naar gehalte konden betalen en suiker maken.