Latere stoomkorenmolens

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

In een stoomkorenmolen was de stoommachine het substituut voor de wind, het water, het paard of de mens als krachtbron. De maalinrichting kon ongewijzigd blijven. In veel gevallen werd het stoomwerktuig dan ook eerder als hulpmotor gebruikt. De stenen werden ontkoppeld van de wieken en het gaande werk[35] en aangesloten op een stoommachine of locomobiel.

Een windkorenmolen kon aangepast worden om op stoom te werken

Een andere opstelling was die, waarbij dat de stoommachine een vrij opgestelde maalstoel aandreef (zie de afbeelding). Maalstoel en stoommachine vormden een eigen produktie-eenheid en stonden onderin de windmolen of in een bijgebouw. Ook kwam het voor dat een dergelijke maalinrichting een bedrijf op zichzelf vormde, los van een bestaand windmolenbedrijf. Hoewel er ontkoppeling had plaatsgevonden van het klassieke molenbedrijf, bleef men toch spreken van een molen, zij het van een stoommolen.


Moeizaam

Wat voor de stoomkorenmolens in Amsterdam gold, ging ook op voor andere delen van Nederland: hun situatie was problematisch in de eerste helft van de negentiende eeuw. De omstandigheden voor stoom waren in Amsterdam zelfs vaak beter te noemen dan elders. De stad lag qua ligging redelijk gunstig voor de aanvoer van steenkool en machinerieën. Bovendien stonden er enkele machinefabrieken die niet alleen stoominstallaties leverden, maar ook reparatie en onderhoudswerkzaamheden verrichtten. Dergelijke voorwaarden waren op andere plaatsen soms ook vervuld, maar vaker niet of slechts ten dele.

Doorslaggevend voor de levensvatbaarheid van de stoomkorenmolen was, zoals wij zagen, de schaal waarop het stoombedrijf kon produceren. Evenals in Amsterdam kreeg de stoomkorenmolenaar elders in het land te maken met de beperkingen van de wet op het gemaal, de lokale accijnzen en de stedelijke kartels. Bovendien versterkte de bestaande infrastructuur de gefragmenteerde nationale marktstructuur. De graanmaalderij moest zich hoofdzakelijk beperken tot de produktie voor de lokale markt, daar transport van graan en meel over langere afstand moeizaam verliep. Op het platteland had de graanmaalderij daardoor vaak het karakter van een monopolie.

In enkele gevallen werd het moeizame functioneren van stoommolens opgemerkt. 'Het schijnt dat de stoomkracht te kostbaar is voor een gewoon molenbedrijf' aldus het Gemeenteverslag van Zevenaar uit 1858, 'want zonder noodzakelijkheid wordt van de stoommolen door den eigenaar, die tevens bezitter is van windmolens geen gebruik gemaakt'.[36] Het betrof hier een windkorenmolen met een stoominstallatie. Overigens lag Zevenaar sinds 1856 aan de spoorlijn Arnhem - Oberhausen, zodat de aanvoer van kolen niet het knelpunt kon zijn. Enkele jaren later meldde het verslag dat de stoommolen niet meer werd gebruikt.

De gemeenteverslagen in de jaren vijftig maakten af en toe melding van stoommolens 'die bijna of het geheele jaar werkeloos waren'. Zelfs als er volop werd geproduceerd kon men nog ontevreden zijn. Zo werd uit Leeuwarden in 1852 en 1853 bericht dat 'de aldaar bestaande stoomkorenmolen ... overvloedig werk (had). Doch vond ook geen voldoende resultaten wat verdienste betrof'.[37] Bovendien bleek de stoommolen kwetsbaar voor de schommelingen in de brandstofprijzen. 'Door de duurte van turf' kon de molen uit Leeuwarden in 1856 'met minder voordeel dan vroeger gedreven' worden.[38]

Er waren ook plaatsen zonder kartels, waar een toenemende concurrentie tussen de windmolenaars het maalloon onder druk had gezet en de komst van de stoommolen dat nog meer deed. Zo hadden de windkorenmolenaars in Friesland goed werk en redelijke verdiensten, 'behalve in Leeuwarden alwaar eene te groote concurrentie bestaat en de maallonen te gering zijn'.[39] Geringe winstmarges plaatsten zowel wind- als stoommolenaars nogal eens voor problemen. De stoomtechniek bracht in dit opzicht geen betere perspectieven. De stoommolenaars noemden ook zelden kostenvoordelen of hoger economisch rendement als reden om hun stoombedrijf op te richten.


Onzekerheid windenergie belangrijkste reden opkomst van de stoommaalderij

Het meest gehoorde argument van de toenmalige ondernemers was niet een bedrijfseconomisch, maar een bedrijfsorganisatorisch argument. De wind was een onzekere energiebron. Er kon op de meest onverwachte en ongelukkige momenten een periode van windstilte optreden.

Combinatie van wind en stoom in een maalbedrijf

Molenaar Van der Hoogt te Alblasserdam verzocht in 1853 een stoommachine in zijn molen te mogen plaatsen omdat 'de onlangs geheerscht hebbende en nog heerschende windstilte de noodzakelijkheid heeft leren inzien van een molen die op eene andere wijze dan door wind kan worden gedreven'. Hij wenste 'zijn korenwindmolen zoodanig in te rigten dat die kan worden gedreven door wind of bij windstilte door de kracht der stoom'.[40]

In Zaltbommel vroeg molenaar Blom een vergunning voor plaatsing van een stoommachine 'om reden het nog al te dikwijls voorkomt met stilte de molen niet kan malen, als dan aan de broodbakker, en andere inwoonders een groot ongerijf veroorzaakt ...'.[41]

Ook korenmolenaar Moens te Delfshaven deed eenzelfde soort aanvrage in 1857 'waardoor hij zich in de gelegenheid zou zien gesteld om bij windstilte voort te kunnen gaan tot het fabriceren van meel'.[42] Deze stoommachine bleek 'meermalen in de behoeften veroorzaakt door windstilte (te) kunnen voorzien' , aldus het gemeenteverslag van Delfshaven.[43]

Provincies, gemeenten en Kamers van Koophandel bevestigden en ondersteunden in hun verslagen herhaaldelijk de argumentatie van de stoommolenaars.

Het verslag van de Kamer van Koophandel stelde dat de belangrijkste reden voor de oprichting van een stoomkorenmolen in Groningen in 1852 was 'de op sommige tijden heerschende windstilte, die meermalen in de stad eenige belemmering in het malen van meel voor de bakkers heeft doen ondervinden ...'.[44]

De gemeente Vlissingen meldde eveneens van de stoomkorenmolen 'welke gedurende een aanhoudende windstilte vele diensten heeft bewezen'.[45] In Sliedrecht adviseerden burgemeester en wethouders in 1857 positief omtrent de plaatsing van een stoommachine in een korenmolen omdat het initiatief ' zeer nuttig en hoogst noodzakelijk voor een zoo bevolkte gemeente als deze worden geacht, aangezien het zeer dikwijls plaats heeft dat bij langdurige windstilte er in de gemeente werkelijk gebrek aan brood bestaat, niet tegenstaande er twee korenmolens bestaan ...'.[46]

Soms vervulde de stoommolen alleen een funktie in windstille perioden, zoals de molen van Krabbenberg en Harbers te Lichtenvoorde die 'alleen maalt wanneer windstilte verhindert de windkorenmolens te gebruiken'.[47]


Windmolen en windstilte

Toch stond het windmolenbedrijf niet geheel hulpeloos tegenover windstille perioden. De molenaar werkte bijvoorbeeld met voorraden en afspraken over levertijden, waarmee de problemen gedeeltelijk voorkomen konden worden. De korenmolenaar kreeg ook, bij uitzondering van de wereldlijke èn geestelijke autoriteiten toestemming om op zondag te malen. Het nachtmalen kwam eveneens voor. Er werd gemalen als het waaide, vooral tijdens de oogsttijd of na windstille perioden. De molenaar werkte dan uren, dagen, nachten soms een week met zo weinig mogelijk onderbreking door. Het bezorgde de molenaar een ongeregeld, zwaar en moeizaam bestaan: 'Het molenaarsleven heeft God ons gegeven. Maar het malen bij nacht heeft de duivel bedacht'.[48] Toch had het nachtmalen enige voordelen. Het werkte rustiger en de wind was veelal regelmatiger. Bovendien gaf het het beroep een zekere romantiek. Doorgaans kon de molenaar op deze wijze de door windstille perioden ontstane achterstand wegwerken.

Slechts buitensporige lange perioden met weinig of geen wind leidden tot een stroom van klachten bij de ondernemers en hun klanten. Juist in deze periode kon de stoomkorenmolenaar (tijdelijk) zijn slag slaan: 'De windkorenmolens hebben veel door de windstilte geleden, ten gevolge waarvan de stoom korenmolen voortdurend, zowel voor bakkers uit deze als uit andere plaatsen veel werk heeft gehad, en gelukkig in die dringende behoeften kan voorzien'.[49]

Inhijsen van een molensteen


Watermolens nauwelijks een alternatief

In sommige streken kende men nog als alternatief de waterkorenmolens, maar zo stelden Krabbenberg en Harbers in hun vergunningsaanvraag voor een stoommachine '... de naastbijgelegene watermolens (zijn) eeneneenhalfuur verwijderd, en nog niet ten allentijde van water voorzien ..., zoo dat men zich dikwijls twee en een half uur moet verwijderen, om het nodige meel te erlangen'.[50] Watermolens waren plaatsgebonden en hadden te lijden onder droogte.

Ook korenmolenaar Vels te Doetinchem merkte in zijn aanvrage op dat 'bij windstilte en lage waterstand, de ingezetenen dikwijls gebrekkig soms gedurende langen tijd in het geheel niet kunnen worden geriefd ...'.[51]


Andere reden opkomst stoommolens: bomen en gebouwen

Een windmolen kon niet alleen gehinderd worden door windstilte, maar ook door obstakels in de omgeving. Zo was de windmolen van Kleve en Kerkhofs te Hengelo (Gld.) 'zoodanig met boomen ... omgeven, die steeds meerdere belemmering in het geregeld gemaal veroorzaken ...' dat zij met stoom wilden gaan werken.[52] De Haagse korenmolenaar Estor vroeg eveneens toestemming voor de plaatsing van een stoommachine, daar zijn molen 'hoe langer hoe meer door eene reeks van gebouwen omsingeld en ingesloten [is], die daaraan alle kracht als windmolen dreigen te benemen. Reeds tegenwoordig kan niet meer, zoo als vroeger met drie of vier, maar slechts met één of twee steenen gemalen worden ...'.[53]