Mooie monsters

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek
K.T. Ouwens (1928), controleur.
In 1951 ben ik als bootwerker in de Rotterdamse haven komen werken. Mijn eerste boot die gelost moest worden, was een kolenboot. Je ging dan de put in, het ruim in. Dat ging met ‘ellebogenstoom’. dat is Rotterdams voor handwerk. Dat was knap zwaar werk. Je moest uit de zijden van het schip de kolen onderwerks gooien en dan pakten de kranen met de grijpers het op.

Ik heb eerst een cursus voor havenarbeider gevolgd. Toen wisten ze in de haven al dat de toekomst niet zou bestaan uit altijd maar scheppen en sjouwen. Arbeiders konden zich gaan specialiseren. Ik heb daarop de controlecursus gedaan. Ik was eerst in losse dienst, dan zat je bij de HAR, dat is de havenarbeidsreserve, een soort pool waar ze mensen uit kunnen tappen. Die bestaat trouwens nog steeds, alleen onder een andere naam. Als je wilde werken, moest je er om zeven uur ’s morgens zijn. Als er dan geen werk was, moest je om tien uur weer komen. En als er dan nog geen werk was, moest je weer om half drie langskomen en dan had je ook nog kans dat je, ondanks dat je de hele dag al in de weer was, toch 's nachts moest werken.

In de jaren vijftig was je na je werk helemaal uitgeput. Het materiaal dat men gebruikte, was niet wat je zegt voor een arbeider gemaakt. Er waren zat arbeiders en ze kostten niks. Zo was dat toen. In 1954 ben ik bij het controlebedrijf Peterson in vaste dienst gekomen. Daar heb ik tot 1963 gewerkt en daarna heb ik tot 1986 voor de gebroeders Pismans gewerkt.

Ik heb alles gecontroleerd. dus ook oliën en ertsen, maar ik heb het meeste met granen en derivaten te maken gehad. Ik moest van elke lading het gewicht en de maten controleren en monsters nemen. Ik werkte altijd samen met een controleur van de tegenpartij. Tijdens het scheppen van de monsters waren er wel eens meningsverschillen. De aflader, die staat voor de verkoper, wil een zo mooi mogelijk monster en de ontvanger wil altijd een ongunstig monster dat er lelijk uitziet. Met onze handen maakten we elkaars zakjes vol. En je kan met dichte handen scheppen en met je vingers helemaal open. De machines, de elevators, werden groter en kregen steeds meer capaciteit. De schepen werden daardoor ook groter. Er kwamen nieuwe bedrijven bij, in de vorm van de Botlek, dat heb ik zien bouwen, en daar kwamen geen elevators op maar pneumaten. Die pneumaten kunnen wel verrijden, maar ze staan vast op de wal; de goederen gaan op een band naar boven toe en worden ergens op een speciale pier afgestort. Die banden zijn soms zeshonderd meter lang, dus dat vergde van de controleurs een nieuwe oplettendheid, want je moest wel goed kijken of de band helemaal leeg was. Als de weger het sein 'lichter is klaar' (de boot is leeg, ED) gaf, dan moest je wel de band nog leegdraaien en dat duurde soms nog wel een kwartier. Er is nu veel minder personeel.

Vroeger gingen er per elevator wel drie controleurs aan boord, een voor de rederij, een voor de aflader en een voor de ontvanger. Als er vier elevators, op een schip lagen, dan gingen er twaalf controleurs aan boord. Die maakten dan afhankelijk van het contract bijvoorbeeld monsters om elke vijfhonderd ton. Dus als jij drieduizend ton koopt, dan krijg je zes loten, dat zijn zes verzegelde monsterzakjes. De verkoper en de reder kregen ook zes loten. Dus voor drieduizend ton werden minstens achttien monsters gemaakt van meestal twee en een halve kilo per stuk Dat deden we in linnen zakjes en die zien er nu nog precies zo uit als in 1955. Alleen, vroeger verzegelden wij ze met pijplak.

Later deden we dat met loodjes en een tang en nog weer later kregen we loodjes die je kon dichtknijpen met de hand. Dat was het makkelijkste, maar er ging toch iets aan vakmanschap verloren. Een loodje knijpen is anders dan dat je daar staat te lakken.

Je kan ruiken of een graan goed is. Als er bijvoorbeeld iets aan tarwe mankeert, dan ruik je dat onmiddellijk. Als er vocht bij is gekomen, dan gaat het broeien en schimmelen. Met je handen voelen is ook heel belangrijk. Als tarwe vochtig is, dan wordt het wat zacht. dat voel je meteen. We hadden ook wel eens vieze goederen, zoals natte huiden, nou dat wil je echt niet weten hoe dat stinkt. Verschrikkelijk.

De haven zit sowieso vol geuren. Kwam je bijvoorbeeld op de kop van Zuid, op de Molukken, daar lagen specerijen en dat rook lekker, kruidnagels, thee, kaneel. Dat rook je allemaal. Want al die schepen lagen open. Nu gaat dat soort goed meestal in containers en de meeste containers gaan niet meer open. Dat wordt van 'house to house' vervoerd. Die veranderingen zijn er heel langzaam in geslopen. Vroeger was op alles controle, dat is nu veel minder. Die controleur kost veel geld, dus nu maken ze contracten dat de aflader verantwoordelijk blijft tot aan de koper thuis. Het vertrouwen tussen de koper en de verkoper is nu dus groter. Dat was vroeger niet.