Noten H4

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek


Hoofdstuk 4 Titel

  • [1] Geciteerd in P. van de Laar, Stad van formaat. Geschiedenis van Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw (Zwolle 2000) 89. Deze inleiding is deels gebaseerd op dit boek, met name hoofdstuk 1-3. Maar zie ook H. Meyer, De stad en de haven. Stedenbouw als culturele opgave Londen, Barcelona, New York, Rotterdam (Utrecht 1996) hoofdstuk 5 waar met name de infrastructurele weerslag van de ontwikkeling van een transito-haven op zeer beeldende en treffende manier wordt geschetst.
  • [2] P. van de Laar, Stad van formaat, 53.
  • [3] Paul van de Laar heeft geanalyseerd hoe deze strijd ook het schrijven van de geschiedenis van de Rotterdamse stad en haven heeft bepaald. Zie P. van de Laar, Veranderingen in het geschiedbeeld van de koopstad Rotterdam (Oratie Erasmuns Universiteit 1998). Voor een gedetailleerde analyse van deze wisseling van elite verwijzen we naar M. Callahan, The harbor barons; political and commercial elites and the development of the port of Rotterdam (Ph.D. thesis, Princeton 1981).
  • [4] Taalkundig zou het zuiverder zijn dit soort goederen aan te duiden als ‘stortgoed’, maar conform het gebruik in de haven zal hier de term massagoed worden gebruikt.
  • [5] Zie bijvoorbeeld J. Nieuwenhuis, Mensen maken een stad 1855-1955 (Rotterdam 1955), 94-97 en H. Moscoviter, ‘Een civieltechnische supermarkt van alle tijden’ en P. van de Laar, ‘Bouwers in de natte’ in: H. Moscoviter, Op de groei gemaakt. Gerieflijkheden voor een wel-inrigte stad (Rotterdam 1996) 17-51 en 153-174. Verwijzen naar notitie van Paul over havenhistoriografie, deel van literatuur kort in deze noot bespreken. Toestemming vragen aan Paul.
  • [6] Voor deze begrippen zie B-A Lundvall, ‘Innovation as an interactive process: from user-producer interaction to the national system of innovation’, in: G. Dosi, C. Freeman, R. Nelson, G. Silverberg and L. Soete, Technical change and economic theory (London 1988), 349-369.
  • [7] Greta Devos en Hugo van Driel, ‘De regulering van de overslag in de havens van Antwerpen en Rotterdam van 1870 tot 1950’, Neha-Jaarboek voor economische, bedrijfs- en techniekgeschiedenis 63 (2000).
  • [8] Tony Jansen, ‘”De wil der bazen regelt het werk”. Havenarbeiders rond 1900 in Rotterdam en Amsterdam’, Jaarboek 1979 voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland (Nijmegen, 1979) 25.ony Jansen en Jacques Giele, 243.
  • [9] Voor de getallen van mensen in dienst en de benamingen van De Jongh zie H. Moscoviter, ‘Een civieltechnische supermarkt van alle tijden’, in: Moscoviter, Op de groei gemaakt, 29-30.
  • [10] Voor een geschiedenis van deze kade zie E. Meeldijk en E. Roelofsz (red.), De Boompjes (Schiedam 1979). Zie verder Meyer, De stad en de haven, 293.
  • [11] Voor Pincoffs en de Rotterdamsche Handelsvereeniging, Bram Oosterwijk, Vlucht na victorie Lodewijk Pincoffs (1827-1911) (Rotterdam 1979) en Jan van den Noort, Pion of pionier. Rotterdam – Gemeentelijke bedrijvigheid in de negentiende eeuw (Rotterdam 1990) 55-82.
  • [12] GAR, Archief Plaatselijke Werken inv. 986 nr. 1169, inv. 1031 nr. 3049 en inv. 1058, 1997 volgnr. 81, brieven van G.J. de Jongh aan de commissie van Plaatselijke Werken van 17 mei 1881, 19 september 1884 en 11 januari 1887 (referenties van P.T. van de Laar).
  • [13] Nieuwenhuis, Mensen maken een stad, 107.
  • [14] P. van de Laar. Stad van formaat, (pagina nummer nog opzoeken).
  • [15] P. van de Laar, Stad van formaat, 99
  • [16] Voor cijfers over investeringen zie P. van de Laar, Veranderingen in het geschiedbeeld, 24.
  • [17] Zie: Z.W. Sneller, Geschiedenis van den steenkolenhandel van Rotterdam (Groningen 1946).
  • [18] Voor dit en het volgende, zie H.P.H. Nusteling, De Rijnvaart in het tijdperk van stoom en steenkool 1831-1914 (Amsterdam 1974) 283-284 andand Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam (verder GAR), Nieuw Stadsarchief/Algemene Zaken (verder NSA/AZ), inv. nr. 2404, nr. 370, Westfälischer Kohlen-Ausfuhr-Verein, Einladung zu einer Versammlung in Hamburg behufs Besprechung über Herstellung zweckdienlicher Kohlen-Verladungs-Vorrichtungen in den Hafenplätzen, Düsseldorf Januar 1878.
  • [19] ‘Rapport van den directeur der Handelsinrichtingen. Uitvoer van Duitsche steenkolen’, 29 november 1884, in: Verzameling gedrukte stukken aan de Gemeenteraad van Rotterdam 1885 (verder Gedrukte Stukken), nr. 3, litt. c, 21-28. Staatsspoorwegen nam reeds in 1880 een ‘kolentip’ in gebruik op haar locatie op Feijenoord, die aanzienlijke hoeveelheden kolen ging overslaan ( Verslagen van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen over 1880-1885). Op een raadszitting op 12 Februari 1885 maakten verschillende duidelijk goed geïnformeerde leden van de Rotterdamse gemeenteraad echter melding van geruchten over plannen van Staatsspoorwegen voor de inrichting van een kolentip (Handelingen van de Gemeenteraad van Rotterdam 1885, 15-16 De aard van de eerste Rotterdamse ‘kolentip’ wordt daarmee nogal duister; hij fungeerde duidelijk niet als model voor de later geplaatste exemplaren.
  • [20] Voor het volgende zie: Jaarverslag Kamer van Koophandel en Fabrieken van Rotterdam 1893 (verder Jaarverslag KvK Rotterdam), 77-79; Bijlage XXV, Rapport van de Commissie voor de Reederijen over de quaestie van ligplaatsen voor ertsbooten, oktober 1893, 71-76 en ‘Het graven van eene 2e haven aan de Katendrechtse kade en het inrichten van drie ligplaatsen voor overlading van erts in de Katendrechtse haven’ (2 augustus 1894) and ‘Extract uit het Rapport van den Directeur der Handelsinrichtingen’, 22 juni 1894 in: Gedrukte stukken 1894, 228-230 en 237.
  • [21] Voor dit en volgende, zie Jaarverslag KvK Rotterdam 1896, 81-85 en 90-102.
  • [22] Verslagen van den toestand der gemeente Rotterdam 1896 t/m 1905. Bijlagen verslag Handelsinrichtingen.
  • [23] Serton, Rotterdam als haven, 85.
  • [24] Voor dit en het volgende, zie Archief SHV (verder ASHV), Z.W. Sneller, Geschiedenis van de SHV, 99-100.
  • [25] ASHV, Sneller, Geschiedenis SHV, 106 (gebaseerd op een krantenartikel uit 1912).
  • [26] De informatie over de ontwikkeling van het Kohlensyndicat is voornamelijk ontleend aan Dieter Wilhelm, Das Rheinisch-Westfälische Kohlensyndikat und die Oberschlesische Kohlenkonvention bis zum Jahre 1933 (Erlangen 1966).
  • [27] ASHV, Jaarverslag SHV 1903/04.
  • [28] Dit en navolgende informatie over het handelen van D.G. van Beuningen is gebaseerd op GAR, Handschrift 326, Memoires D.G. van Beuningen.
  • [29] GAR, Handschrift 326, Memoires D.G. van Beuningen, 9.
  • [30] M. Buhle, Technische Hülfsmittel zur Beförderung und Lagerung von Sammelkörpern (Massengütern) I (Berlijn 1901) 44 en George Frederick Zimmer, The Mechanical Handling of Material (London 1905) 273.
  • [31] J.D. Dresselhuijs, ‘Inleiding tot het bezoek aan de steenkolen-transporteurs van de Steenkolen-Handelsvereeniging te Rotterdam op 22 October 1910’, De Ingenieur 26 (28 januari 1911) 195-199.
  • [32] Dresselhuijs, ‘Inleiding’, 196.
  • [33] ASHV, Jaarverslag SHV 1905/06
  • [34] George Frederick Zimmer, The mechanical handling and storing of material (London 1916) 481-82
  • [35] Het navolgende is gebaseerd op ASHV, Sneller, Geschiedenis SHV, 99 en verder.
  • [36] ASHV, SHV, Jaarverslag 1905/06.
  • [37] Zimmer, Mechanical handling and storing, 392.
  • [38] Zie hiervoor: Van IJsselsteyn, Haven van Rotterdam, 279; en correspondentie tussen London Basalt Stone Company, B. & W. van Rotterdam en de verschillende raadscommissies en directeuren van gemeentelijke diensten tussen 1898 en 1902 in GAR, NSA/AZ, inv. nr. 2960, nr. 10708; , letter from the Basalt Maatschappij (Rotterdam) to Burgomaster and Eldermen of Rotterdam of 24 november 1898; inv. nr. 2995, nr. 9236, letter of Johnston (Rotterdam) to Burgomaster and Eldermen of 21 october 1899; inv. nr. 456, nr. 1225, in particular letters from the London Basalt Stone Company to Burgomasters and Elderman of Rotterdam of 25 march 1902 and 7 july 1902 and letter from the management of public works to the subcommittee of the city council of public works of 1 april 1902 and 15 juli 1902; en and inv.inv. nr. 458, nr. 1667, letter from the management of public works to the subcommittee of the city council of public works of 7 october 1902 and letter from the managing director of the municipal port installations to the subcommittee of the city council of munipical port installation of 11 october 1902..
  • [39] Georg von Hanffstengel, `Moderne Verladekrane, gebaut von Adolf Bleichert & Co. in Leipzig-Gohlis', Zeitschrift des Vereins deutschen Ingenieure 52, nr. 44 (31 oktober 1908) 1755-1756.
  • [40] H.R. Mills, ‘Discharge of Iron Cargoes. Part 3’, Cargo Handling September 1955, 115-118, aldaar 115.
  • [41] Mogelijk ging de Stuwadoors Maatschappij Victoria Thomsen voor. Deze onderneming, waar verder niets van bekend is, nam in 1911 samen met de met Handels- en Transport Maatschappij “Vulcaan” (een Rijnrederij die in dat jaar was opgericht door de Duitse mijnmagnaat August Thyssen) de eerste drijvende grijperkranen voor ertslossing in gebruik (Directie van den Arbeid, Verslag over het Haventoezicht uitgeoefend in 1912, 70) Noot; mogelijke uitzonerdering Victoria.
  • [42] W. Drenth (hoofd technische dienst Thomsen), ‘Lossen en laden van massa- en stukgoederen in de haven van Rotterdam I’, Polytechnisch Weekblad 22, no. 12 (22 maart 1928) 202-203.
  • [43] W. Drenth (hoofd technische dienst Thomsen), ‘Lossen en laden van massa- en stukgoederen in de haven van Rotterdam I’, Polytechnisch Weekblad 22, no. 12 (22 maart 1928) 202-203.
  • [44] Zimmer, Mechanical handling and storing, 421, 423, 428-429.
  • [45] Jaarverslag KvK Rotterdam 1912, 118
  • [46] De navolgende cijfermatige informatie is ontleend aan Serton, Rotterdam als haven voor massale goederen (Nijmegen 1919) 90-93.
  • [47] GAR, archief SVZ, dossier 2819, Overzicht verwerkte hoeveelheden in tonnen. Machinaal Bedrijf en Lossen & Laden 1912-1941.
  • [48] AECT, inv.. nr. 24766907, Memoriaalboek Thomsen’s Havenbedrijf 1912-1916
  • [49] Voor het navolgende, zie: AECT, iinv. nr. 24766904, Tweeledig contract tussen N.V. Thomsen’s Havenbedrijf en N.V. Frans Swarttouw’s Havenbedrijf en drieledig contract tussen beide bedrijven en N.V. Corns Swarttouw’s Stuwadoors- Mij., beide van 17 augustus 1922 en Contract tussen het Nederlandsche Havenbedrijf en de deelnemers aan het drieledig contract, juni 1923 (niet getekend).
  • [50] ASHV, Notulen Raad van Commissarissen van de SHV d.d. 1 juli 1915.
  • [51] Serton, Rotterdam als haven, 92; H.A. van IJsselsteyn, Rapport omtrent de arbeidstoestanden in de Nederlandsche zeehavens (Amsterdam 1914) 10.
  • [52] Dit en de de rest van deze alinea is vooral navolgende alinea’s zijn, tenzij anders aangegeven, gebaseerd op: D. Uyttenboogaart, ‘Het graantransportbedrijf’, in: E.O.H.M. Ruempol (red.), 1328-1928. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van de stad Rotterdam (Rotterdam, 1928) 277-297. Uyttenboogaart was vanaf het begin af aan nauw betrokken bij de invoering van de pneumatische elevatoren in de Rotterdamse haven.
  • [53] Uyttenboogaart, ‘Graantransportbedrijf’, 284.
  • [54] Voor dit en vervolg, zie Archief Koninklijke Vereniging Het Comité van Graanhandelaren (verder ACG), doos Graancomité Geschiedenis 1872-1962, boek Comité kladnotities Graswinckel periode 1877-1914, blz. 19 (gebaseerd op medelingen van de heer Teeuwen, wiens vader de elevator zou hebben gebouwd en die als kind nog op de afgebrande elevator zou hebben gespeeld); .notulenboek-3, notulen vergaderingen Comité van 19 augustus 1882, 30 september 1882, 11 januari 1883, 21 februari 1883 en 11 en 31 maart 1883 en W.A.H. Crol (bewerking), Een tak van de familie Van Stolk honderd jaar in de graanhandel 1847-1947 (Rotterdam z.j. (1947)) 25.
  • [55] M.G. de Boer, De Holland-Amerika Lijn, 1873-1923 (Amsterdam 1923) 39.
  • [56] GAR), Archief Holland-Amerika-Lijn (verder AHAL)
  • [57] De schatting van de handmatige uurproduktie per ploeg is ontleend aan: GAR, Archief Kamer van Koophandel Rotterdam (verder AKvK), inv. nr. 113, nr. 165, advies van een commissie van de Kamer van Koophandel naar aanleiding van het bezoek van de Verein deutscher Handelsmüller van 29 oktober 1901.
  • [58] Het navolgende is gebaseerd op: GAR, AHAL, inv. 3, notulen RvC van 10 oktober 1896
  • [59] GAR, AHAL, inv. 3, notulen RvC van 10 oktober 1896
  • [60] Petrus Serton, Rotterdam als haven, 42.
  • [61] Voor de algemene technische geschiedenis van de graanzuigers, zie: M. Buhle, Technische Hülfsmittel zur Beförderung und Lagerung von Sammelkörpern (Massengütern) I. Teil (Berlijn 1901) 1-13; Carl A. E. Müller, ‘Die Entwicklung der schwimmenden pneumatischen Getreideheber’, Jahrbuch der Hafenbautechnischen Gesellschaft 20 (1937) 163-182 en Chr. Klock, ‘Die Förderung von Körnergut im Luftstrom und ihre Bedeutung für die Schiffahrt’, Jahrbuch des Schiffbautechnischen Gesellschaft 19 (1918) 173-217. Zimmer, Mechanical Handling, 208 beweert dat in Engeland elevatoren mede werden ontwikkeld om de macht van arbeiders te breken.
  • [62] Voor het proces van invoering van de graanzuigers in Rotterdam zie: Dick van Lente, ‘Machines and the Order of the Harbour: The Debate about the Introduction of Grain Unloaders in Rotterdam, 1905-1907’, International Review of Social History 43, nr. 1 (1998) 79-110, A. Voogd, De graanelevators en de gisting in het havenbedrijf te Rotterdam (Rotterdam 1907) en Ch. A. Cocheret, Het elevator-bedrijf in de Rotterdamsche haven 1908-1933 (Rotterdam 1933). In het navolgende is alleen verwezen naar oorspronkelijke archiefstukken van de Graan Elevator Maatschappij (GEM) als de daarin in vervatte informatie niet (of niet correct) is vermeld in het boek van Cocheret. Cocheret heeft bepaalde gespreksverslagen kunnen raadplegen die niet meer in het archief van de GEM zijn teruggevonden.
  • [63] Zie hiervoor en het volgende: H. van Driel, De ontwikkeling van de vemen in Nederland 1600-1967, Management Report Series nr. 194, Erasmus Universiteit Rotterdam, Faculteit Bedrijfskunde (Rotterdam, 1994).
  • [64] In memoriam van Smalt in: NRC 23 februari 1918.
  • [65] Hiervoor en het volgende, zie Archief Vopak/Pakhoed, notulen bestuursvergaderingen van het Neder­landsche Veem van 8 augustus 1901, 12 september 1901, 15 juni 1903, 23 juni 1903 en 30 juli 1903.
  • [66] Aldus Serton, Rotterdam als haven, 27 en 35 en verder
  • [67] GAR, AKvK, inv. 113, nr. 165, advies commissie van 29 oktober 1901
  • [68] Berekend op basis cijfers opgegeven in: Reginald Loyen, ‘De consumptiemaatschappij vanuit een havenperspectief. Een gevalstudie voor de Antwerpse graantrafiek’, in: Yves Segers e.a., Op weg naar een consumptiemaatschappij. Over het verbruik van voeding, kleding en luxegoederen in België en Nederland (19de-20ste eeuw) (Center for Economic Studies K.U. Leuven 2000) 32-60, aldaar 53 (cijfers beschikbaar gesteld door Loyen) en Jaarverslagen van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam (verzameld door P.T. van de Laar); uit oogpunt van vergelijking is de overslag van rijst buiten beschouwing gelaten.
  • [69] Voor Smalts activiteiten en onderzoekingen zie de correspondentie in GAR, Archief Graan Elevator Maatschappij (verder AGEM), doos 508 en Cocheret, Elevatorbedrijf.
  • [70] Zie voor het navolgende: Müller, ‘Entwicklung Getreideheber’. Helaas ontbreekt in dit artikel elke bronvermelding
  • [71] Op dit punt is nog verder onderzoek mogelijk in de briefwisseling tussen Smalt, Meyer en Luther. Wij hebben daarvan afgezien omdat het handschrift van zowel Smalt als Meyer veelal onleesbaar bleek
  • [72] Het Nederlandsche Veem nam 38 aandelen; de vijf cargadoors ieder twintig. Daarnaast namen nog twee cargadoors, drie factors, stuwadoor Thomsen & Co., elevatorbouwer Luther, een graanhandelaar (J.A. Bax), enkele bankiers en een aantal privé personen aandelen, variërend van één tot twaalf stuks.
  • [73] GAR, AGEM, Doos 507. Directie (N.V. Nederlandsche Veem), Nml. Mij. tot Exploitatie van Drijvende Elevators, Verslag over de periode van 28 april 1904 tot 31 Dec 1905 (getypt, in notulenboek aandeelhoudersvergaderingen).
  • [74] Er zijn minimale twee verklaringen voor het defect gegeven, die beide betrekking hebben op een verkeerde afstemming tussen de graansluis en de weegschalen. Een is afkomstig van een direct betrokkene, te weten een van de directeuren van het eerste uur (Uyttenboogaart, ‘Graantransportbedrijf’, 285), de ander van de schrijver van de bedrijfsgeschiedenis van de GEM (Cocheret, Elevatorbedrijf, 28). Beide verklaringen houden merkwaardig genoeg geen rekening met het bestaan van de bovenbunker tussen graansluis en weegschaal en zijn daarom voor ons moeilijk te begrijpen Volgens Smalts mede-directeur van de Elevator-Maatschappij en de latere GEM was de verklaring voor het falen van de automatische weging dat Luther nog niet eerder ervaring had opgedaan met de ‘kipsluizen’ tussen de recipiënt en de weegschalen (Uyttenboogaart, ‘Graantransportbedrijf’, 285). Zijn formulering is voor ons niet goed te begrijpen, omdat er nog een bunker tussen recipiënt en weegschaal zat. Hierdoor is de relatie tussen het type sluis en de problemen bij het wegen onduidelijk (op dit punt zijn onder meer de vrijwilligers geraadpleegd die heden ten dage een oude elevator onderhouden als onderdeel van het Maritiem Buitenmuseum in Rotterdam).
  • [75] GAR, AGEM, doos 1, inv. nr. 1, Hennefer Maschinenfabrik C. Reuther & Reisert m.b.H. Hennef a.d. Sieg (Rheinprovinz), Zeugnisse ueber unsere patentirte, aichfaehige, automatische Waage “Chronos” als Absack- und als Elevatorwaage in Lagerhaeusern, Silo-Speichern, Elevatoren, Verzoll- und Umladestationen, Muehlen etc (z.j.).
  • [76] GAR, AGEM, doos 508, brief Luther aan Smalt van 11 september 1902.
  • [77] GAR, AGEM, doos 508, brief Luther aan Smalt van 17 september 1904
  • [78] GAR, AGEM, doos 501, Notulen RvC Elevator-Maatschappij van 5 oktober 1905.
  • [79] Erik Nijhof, ‘Undeserving casuals: Rotterdam dockers and their unions 1880-1965’ in: Sam Davies e.a. (ed.), Dock workers (Aldershot 2000) Volume I, 405-424.
  • [80] Rotterdamsch Weekblad 24 maart 1906.
  • [81] GAR, AGEM, doos 501, notulen RvC Elevator-Maatschappij van 7 december 1905 en 15 december 1905.
  • [82] ACG, notulenboek-5, notulen vergadering Comité van 7 mei 1907.
  • [83] GAR, AGEM, doos 501, notulen RvC Elevator-Maatschappij van 15 januari 1907. Smalt dacht in 1906 onder meer aan een installatie van zestien op de wal geplaatste pneumatische elevatoren (zie ook GAR, AGEM, Doos 508, ongedateerde concept-prospectussen).
  • [84] Graanderivaten niet meegerekend
  • [85] Hein Mol, Memories van een havenarbeider (Nijmegen 1980), 186.
  • [86] Geciteerd in Jan Oudenaarden, Pakt aan! De Rotterdamse havenarbeider (Zwolle 1996) 17-18 en 23-24.