Noten TIN19-2-H7

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek


Hoofdstuk H7 Titel

  • [1] H.J.Dyos and D.H.Aldcroft, British transport. An economic survey from the seventeenth century to the twentieth (Harmondsworth 1974); Michael Robbins, The railway age (Harmondsworth 1965); C.Hamilton Ellis, British railway history. An outline from the accession of William iv to the nationalisation of railways, vol.1, 1830-1876. (London 1954).
  • [2] G.Biddle, The railway surveyors. The story of railway property management 1800-1990 (London 1990), 60-64. Over vader en zoon Stephenson zie: L.T.C.Rolt, George and Robert Stephenson. The railway revolution (Harmondsworth 1978) en Michael Robbins, George & Robert Stephenson (London 1980).
  • [3] Dyos/Aldcroft, British transport, 143.
  • [4] Voor Frankrijk zie: Yves Leclercq, Le réseau impossible; la résistance au système des grandes compagnies ferroviaires et la politique économique en France, 1820-1850 (Genève 1987) en Cecil O.Smith, Jr.,'The longest run: Public engineers and planning in France', in: The American Historical Review, vol.95, nr.3 (June 1990), 657-692.
  • [5] Voor Duitsland: K.E.Maedel, Das Eisenbahn-Jahrhundert. Die Grosze Zeit der Dampflokomotiven. Deutsche Eisenbahngeschichte in Wort und Bild (Stuttgart 1973), 16. Over Friedrich List: H.Weigelt. 'Friedrich List und das Verkehrswesen seiner Zeit', in: Jahrbuch für Eisenbahngeschichte 23 (1991), 5-16.
  • [6] Maedel, Eisenbahn-Jahrhundert, 26-31; W.Klee, Preussische Eisenbahngeschichte (Stuttgart-Berlin-Köln-Mainz 1982); W.Steitz, Die Entstehung der Köln-Mindener Eisenbahngesellschaft. Ein Beitrag zur Frühgeschichte der Deutschen Eisenbahnen und des Preussischen Aktienwesens. Schriften zur Rheinisch-Westfälischen Wirtschaftsgeschichte, Band 27 (Köln 1974).
  • [7] Voor België: A. de Laveleye, Histoire des vint-cinq premières années des chemins de fer belges (Bruxelles-Paris 1862); U.Lamalle, Histoire des chemins de fer belges (Bruxelles 1953).
  • [8] S.Boom en P.Saal, 'Spoorwegaanleg en het beeld van de eerste helft van de negentiende eeuw', in: Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek, 46 (1983), 5-25. Over de verbinding van Amsterdam en Rotterdam met het Duitse achterland: J.H.Schawacht, Schiffahrt und Güterverkehr zwischen den Häfen des deutschen Niederrhein und Rotterdam vom Ende des 18. bis zur Mitte des 19. Jahrhunderts (Köln 1973); J.F.E.Bläsing, Das goldene Delta und sein eisernes Hinterland 1815-1851. Von niederländisch-preussischen zu deutsch-niederländischen Wirtschaftsbeziehungen (Leiden 1973); H.P.A.Nusteling, De Rijnvaart in het tijdperk van stoom en steenkool, 1831-1914 (Amsterdam 1974).
  • [9] J. de Vries, Barges and capitalism; passenger transportation in the Dutch economy 1632-1839 (Utrecht 1981).
  • [10] W.Fritschy, 'Spoorwegaanleg in Nederland van 1831 tot 1845 en de rol van de Staat', in: Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek 46 (1983), 180-227.
  • [11] M.G. de Boer, Leven en bedrijf van Gerhard Moritz Roentgen, grondvester van de Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij thans Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw 'Fijenoord' 1823-1923 (S.l. 1923).
  • [12] W. van der Ham, Tot gerief van de reiziger. Vier eeuwen Amsterdam-Haarlem (_s-Gravenhage 1989), 55-56.
  • [13] Nog steeds onmisbaar is het overzicht van J.H.Jonckers Nieboer, Geschiedenis der Nederlandsche Spoorwegen 1832-1938. Tweede druk (Rotterdam 1938). Nuttig is ook: W.van den Broeke, 'Het spoor terug gevolgd. De eerste honderd jaar (1839-1939)', en van dezelfde auteur 'Preludium op een vijfsporenbeleid (1839-1939)', in: J.A.Faber,red. Het Spoor. 150 jaar spoorwegen in Nederland (Amsterdam-Utrecht 1989), 11-51 en 52-85. Een overzicht van data van opening en sluiting van lijnen in: J.W.Sluiter, Beknopt overzicht van de Nederlandse spoor- en tramwegbedrijven. 2e druk (Leiden 1967).
  • [14] J.A. de Jonge, 'Overheidsfinanciën', in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 12 (Haarlem 1977), 55-58.
  • [15] W.A.Reiger, 'Financiën', in: P.H.Ritter, red. Eene Halve Eeuw 1848-1898 (Amsterdam 1898), 195-216; J.A. de Jonge, De industrialisatie in Nederland tussen 1850 en 1914 (Amsterdam 1968), 313-315.
  • [16] W.C.Brade, Theoretisch en practisch bouwkundig handboek. 4 dln. in 1 band, 1e druk ('s-Gravenhage 1827-1834); 2e druk ('s-Gravenhage 1842).
  • [17] Jonckers Nieboer, Geschiedenis, 20-29; zie ook het officiële gedenkboek van de hijsm: Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij 1839-1889 (Amsterdam 1889).
  • [18] Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij 1839-1889 (Amsterdam 1889), 19-22.
  • [19] L.T.C.Rolt, Isambard Kingdom Brunel, a biography (London 1957).
  • [20] Hamilton Ellis, British Railway History, 105-107.
  • [21] Een goede biografie van Conrad ontbreekt nog; zie over hem Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, 2 (Leiden 1912), 314-320.
  • [22] G.F. van Reeuwijk, De breedspoorlokomotieven van de hijsm (Alkmaar 1985), 26.
  • [23] Boom/Saal, 'Spoorwegaanleg', 17.
  • [24] Biddle, Railway surveyors, 83-104.
  • [25] Hollandsche IJzeren Spoorweg, 52.
  • [26] Conrad beschreef zelf de spoorbruggen in de lijn Amsterdam-Rotterdam in De Nederlandsche Stoompost, 2e jrg.(1847).
  • [27] H.Romers, De Spoorwegarchitectuur in Nederland 1841-1938 (Zutphen 1981), 16-24.
  • [28] Romers, Spoorwegarchitectuur, 16, is van mening dat Amsterdam Willemspoort door Conrad ontworpen is, terwijl Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 112, Outshoorn als zodanig noemt.
  • [29] J.G.H.Warren, A century of locomotive building by Robert Stephenson & Co. 1823-1923. Reprint (Newton Abbot 1970), 53 vlg.
  • [30] Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 35-36.
  • [31] Warren, A century of locomotive building, 311 vlg.
  • [32] James W.Lowe, British steam locomotive builders. 2nd ed. ( Hinckley 1989), 431-438.
  • [33] J.J.Teyler van Hall was een neef van C.C. van Hall, de adjunct-werktuigkundige van de hijsm, en van F.A. van Hall, de advocaat van de maatschappij en later minister van Financiën. Nederland's Patriciaat 24 (1938).
  • [34] Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 51-52.
  • [35] Brian Reed, 150 years of British steam locomotives (Newton Abbot 1975), 51.
  • [36] Zie over de fabriek van Verveer: W.H.P.M. van Hooff, In het rijk van de Nederlandse Vulcanus. De Nederlandse machinenijverheid 1825-1914, een historische bedrijfstakverkenning (Amsterdam 1990), 74, 98, 221.
  • [37] C.C. van Hall was de auteur van Handleiding tot de kennis van de verschillende soorten van locomotieven, benevens praktische voorschriften tot het geleiden van dezelve (Haarlem 1844).
  • [38] Zie over de Nederlandse stoomlocomotieven in het algemeen: H.Waldorp, Onze Nederlandse stoomlocomotieven in woord en beeld. 7e druk (Alkmaar 1986).
  • [39] Warren, A century of locomotive building, 346 vlg.
  • [40] Zie over Van Hasselt: N.H.Nierstrasz, 'A.K.P.F.R. van Hasselt', in: Mannen en Vrouwen van Beteekenis, deel xl, afl. 8 (1908). Over G.A.A.Middelberg: A.J.Veenendaal jr., 'Gerrit Middelberg, een veelzijdig spoorwegingenieur uit de 19e eeuw', in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek, 1 (1984), 231-255.
  • [41] Van Reeuwijk, Breedspoorlokomotieven, 41-59. Zie ook N.J. van Wijck Jurriaanse, De Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij, 1 (Rotterdam 1975), 21-34.
  • [42] Van der Ham,Tot gerief van de reiziger, 33.
  • [43] Marie-Anne Asselberghs, Het ijzeren paard. Versierd verslag van de lotgevallen van de stoomlocomotief (Amsterdam 1959), 63-64.
  • [44] H.Klompmaker en D.Mulder, 'De treinreiziger in de literatuur. Een historisch consumentenonderzoek aan de hand van Nederlandse literatuur 1830-1980', in: ehjb 48 (1985), 169-181. Zie ook: W.Hansen, ed., Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen (Amsterdam 1989).
  • [45] W.J.M.Benschop, Eduard Wenckebach en de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij als baanbrekers voor de openbare telegrafie in Nederland ('s-Gravenhage 1957). Zie ook Hollandsche IJzeren Spoorweg, 77-78.
  • [46] W.C.P. van Reede van Oudtshoorn, 'Beschrijving van de brug in den Rijnspoorweg, over den IJssel bij Westervoort', in: Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1856-1857, 4-28.
  • [47] J.G.W.Fijnje, 'Beschrijving van de brug over de rivier de Mark, in den spoorweg van Antwerpen naar Rotterdam', in: Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1855-1856, 200-204; J.J. van Kerkwijk, 'Over het gebruik van het elektrisch licht bij het stellen van de ijzeren draaibrug over de rivier de Mark, in den spoorweg van Antwerpen naar Rotterdam', in: Ibidem, 205-208.
  • [48] A.J.Veenendaal jr., 'De kennisoverdracht op het gebied van de spoorwegtechniek in Nederland 1830-1870', in: Jaarboek voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek JbGBT 7 (1990), 54-82, waarin korte biografiën van de vooraanstaande Nederlandse spoorwegingenieurs.
  • [49] Terry Coleman, The railway navvies. A history of the men who made the railways (Harmondsworth 1968).
  • [50] A.Doedens en L.Mulder, Een spoor van verandering. Nederland en 150 jaar spoorwegen (1839-1989) (Baarn 1989), 127-128.
  • [51] A.J.C.Rüter, ed. Rapporten van de gouverneurs in de provinciën 1840-1849, deel II. Werken uitgegeven door het Historisch Genootschap, derde serie, no.77 (Utrecht 1949) 89-94; Doedens/Mulder, Spoor van verandering, 125.
  • [52] Het reglement van de HIJSM is afgedrukt in Hollandsche IJzeren Spoorweg, 22-32.
  • [53] Zie over de financiering van de spoorwegen: W. van den Broeke, Financiën en financiers van de Nederlandse spoorwegen 1837-1890 (Zwolle 1985).
  • [54] De dividenden van de HIJSM zijn opgesomd in: Hollandsche IJzeren Spoorweg, Bijlage E.
  • [55] Voor de bedrijfsresultaten van de NRS zie: Van den Broeke, Financiën, 254-255.
  • [56] H.Pollins, Britain's railways: An industrial history (Newton Abbot 1971), 41; Van den Broeke, Financiën, 186-187.
  • [57] A.H.Jenniskens, Het Spoor. Honderdvijftig jaar spoorweggeschiedenis Maastricht (Maastricht 1985). Zie ook M.Hartgerink-Koomans, 'Een spoorlijn voor Nederlandss Limburg', in: Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden XVII (1962), 83-89.
  • [58] M.Hartgerink-Koomans, 'De Zuiderlijnen. Opzet en bestrijding der spoorlijnen beneden de grote rivieren', in: Economisch Historisch Jaarboek EHJB, 30 (1965) 3-76, hier speciaal 32-40; zie ook van dezelfde auteur: 'Handelsbetrekkingen en spoorwegverbindingen in de eerste helft der 19de eeuw. Plannen tot spoorwegbouw in de Noord-Oostelijke provincies 1845-1854', in: Economisch Historisch Jaarboek EHJB 26 (1956) 1-72.
  • [59] N.J. van Wijck Jurriaanse, De Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij (Rotterdam 1973).
  • [60] Hartgerink-Koomans, 'Zuiderlijnen', 67.
  • [61] H.Lintsen, Ingenieurs in Nederland in de negentiende eeuw. Een streven naar erkenning en macht ('s-Gravenhage 1980), 172-177.
  • [62] Hartgerink-Koomans, 'Zuiderlijnen', 72.
  • [63] R.P.J.Tutein Nolthenius, 'Onze Openbare Werken', in: P.H.Ritter, ed. Eene Halve Eeuw 1848-1898 (Amsterdam 1898), 233-248, hier speciaal 240-241.
  • [64] Sir John Rennie (1794-1874), bekend Engels ingenieur, was in de jaren veertig bezig geweest met de opneming van een spoorlijn Vlissingen-Bergen op Zoom, en daarna betrokken bij een landaanwinningsproject op Zuid-Beveland. Hartgerink-Koomans, 'Zuiderlijnen', 24.
  • [65] L.G.J. Verberne, Geschiedenis van Nederland in de jaren 1850-1925. Deel i, 3e druk (Utrecht-Antwerpen 1957), 86.
  • [66] I.J.Brugmans, Paardenkracht en mensenmacht. Sociaal-economische geschiedenis van Nederland 1795-1940 ('s-Gravenhage 1961), 228.
  • [67] Jonckers Nieboer, Geschiedenis, 120.
  • [68] E.H.Stieltjes, 'Overzicht van de ontwikkeling van het spoorwegnet in Nederland', in: Gedenkboek, uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1847-1897 ('s-Gravenhage 1897), 63-71.
  • [69] Zie Veenendaal, 'Kennisoverdracht', speciaal 76-82 voor een levensbeschrijving van de betrokken ingenieurs.
  • [70] Zie voor de tegenstellingen tussen burgerlijke en militaire ingenieurs: Lintsen, Ingenieurs, 253 vlg.
  • [71] R.A. van Sandick, 'De verdiensten van Nederlandsche ingenieurs als ontwerpers der bruggen te Zutphen en Venlo (1861)', in: De Ingenieur 33 (1918), 290.
  • [72] W.F.Leemans, 'IJsopruiming op rivieren en open houden bij vorst, van den toegang tot Amsterdam uit zee', in: Gedenkboek KIvI, 25-30, hier speciaal 25-28.
  • [73] 75 Jahre Deutscher Brückenbau, herausgegeben von der Gesellschaft Harkort Duisburg aus Anlass ihres 50 jährigen Bestehens (Duisburg 1922), 37. Dat de bruggen bij Dirschau in Nederland de aandacht trokken blijkt wel uit: G.G. van der Hoeven, 'De bruggen over de Weichsel bij Dirschau en over de Nogat bij Marienburg', in: Verhandelingen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1856-1857, 29-40.
  • [74] 75 Jahre Deutscher Brückenbau, 42.
  • [75] Zie voor een overzicht van alle spoorbruggen: Jhr. P.H.A.Martini Buys, 'Gegevens omtrent de spoorwegbruggen, in Nederland over groote rivieren en kanalen, gebouwd in de tweede helft der XIXde eeuw', in: Gedenkboek KIvI, 90-93. Over de Culemborgse brug: G.J.L.Koolhof, De spoorbrug bij Culemborg 1868-1982 (Culemborg 1982). Over Van Diesen: Biografisch Woordenboek van Nederland, 1 ('s-Gravenhage 1979), 142-143.
  • [76] Zie over Nierstrasz: Biografisch Woordenboek van Nederland, 2 (Amsterdam 1985), 402-404.
  • [77] De afdamming der Oosterschelde_, in: Onze Tijd, nieuwe serie, jrg.3, deel II (1868), 310-324. Over het zandvervoer: P.J.Neyt, 'Over het vervoeren van grond per locomotief', in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1870-1871, 259-289.
  • [78] W.F.Stoel, 'Afdamming van het Sloe met de kanalen door Walcheren en door Zuid-Beveland', in: Gedenkboek KIvI, 45-47.
  • [79] H.C.Arbouw en J.R.Bos, Schakel tussen Noord en Zuid. Geschiedenis van de spoorwegen op het Eiland van Dordrecht. Kwartaal & Teken extra 11 (Dordrecht 1989), 22-27.
  • [80] J.L.Cluijsenaer, 'De overbrugging van het Hollandsch Diep', in: Onze Tijd, nieuwe serie, jrg.7, deel I (1872), 193-292.
  • [81] Over het faillissement van de Koninklijke Fabriek, zie: M.G. de Boer, Honderd jaar machine-industrie op Oostenburg Amsterdam (Amsterdam 1927), 63-73.
  • [82] N.H.Nierstrasz, De spoorweg Nijmegen-Arnhem met de overbrugging van de Waal en den Rijn ('s-Hertogenbosch 1869).
  • [83] J.Schroeder van der Kolk, 'Bouw, onderzoek en onderhoud der metalen spoorwegbruggen', in: Gedenkboek KIvI, 93-97.
  • [84] De eerste secretaris van de Staatsspoorwegen beschrijft in zijn memoires de vormingsjaren van de maatschappij: H.P.G.Quack, Herinneringen uit de levensjaren van Mr.H.P.G.Quack 1834-1914. 2e druk (Amsterdam 1915), 99-121.
  • [85] [R.A. van Sandick], 'De eerste jaren der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen', in: De Ingenieur 18 (1903), 735-737.
  • [86] R.L.Hills and D.Patrick, Beyer, Peacock locomotive builders to the world (Glossop 1982), 45-46.
  • [87] Zie voor een algemene theorie: A.D.Chandler, The visible hand: managerial revolution in American business. 2nd edition (Cambridge, Mass. 1978) speciaal 79-206. Voor de Verenigde Staten is ook van belang: Walter Licht, Working for the railroad. The organization of work in the nineteenth century (Princeton, N.J. 1983). Voor Nederland: P.W.N.M.Dehing, '...Eene soort van dynastie van spoorwegbeambten'. Arbeidsmarkt en spoorwegen in Nederland, 1875-1914 (Hilversum 1989).
  • [88] Veenendaal, 'Gerrit Middelberg', 238.
  • [89] Hollandsche IJzeren Spoorweg, 55-56.
  • [90] [R.A. van Sandick], 'De eerste jaren', 736.
  • [91] De in 1869 door het Verein goedgekeurde regels voor de aanleg van buurtspoorwegen, werden in Nederland gepubliceerd als: 'Grondregelen voor de inrigting van buurtspoorwegen', in: Tijdschrift van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1869-1870, 109-130.
  • [92] E.H.Baucke, De goedkoope aanleg van lokaalspoorwegen, door een voorbeeld in Nederland toegelicht (Deventer 1872). Het voorbeeld is de lijn Deventer-Almelo.
  • [93] G. van Diesen, 'Lokale Spoorwegen', in: De Gids juli 1872, 109-132.
  • [94] H.C.Bosscha, Beschouwingen over lokale spoorwegen (Groningen 1873).