Noten TIN20-3-H4

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek


Hoofdstuk 4 Titel

  • [1] J. L. van Zanden, Een klein land in de twintigste eeuw. Economische geschiedenis van Nederland 1914-1995 (Utrecht 1997) 183. De getallen in deze paragraaf zijn ontleend aan: CBS, 95 jaren statistiek in tijdreeksen; CBS, 90 jaren statistiek in tijdreeksen; Sociaal Cultureel Planbureau, Sociaal en cultureel rapport 1998 (Rijswijk 1998); F.L. van Holthoon eds., De Nederlandse samenleving sinds 1815: wording en samenhang (Assen 1985).
  • [2] Al zijn deze CBS-gegevens deels een artefact van de gebruikte methode, ze zeggen toch iets over de verstedelijking van het platteland.
  • [3] Over de jaren zestig zie J.C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw (Amsterdam 1995) en H. Righart, De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict (Amsterdam 1995).
  • [4] Zie ook G.de Vries, Nederland verandert. Sociale problemen in de jaren tachtig en negentig (Amsterdam 1992) 27-44, 50-59.
  • [5] Al tijdens het derde internationale ‘Congress of Nutrition’, gehouden te Amsterdam in 1954 onder voorzitterschap van B.C.P. Jansen, waren de meeste onderzoeksbijdragen gewijd aan problemen van overgewicht, zie Voeding 16 (1955) 37-128.
  • [6] M. Schrover, Voedings- en genotmiddelenindustrie. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993), 47-53.
  • [7] Annie M.G. Schmidt, Het fluitketeltje (Amsterdam 1950).
  • [8] H. Matsier, Gesloten huis. Zelfportret met ouders (Amsterdam 1994) 113-115.
  • [9] Deze constatering is in overeenstemming met de bekende wet van Engel, volgens welke een stijging van het inkomen gepaard gaat met een relatieve daling van de uitgaven aan voedsel. Wat mensen kunnen eten is nu eenmaal niet onbeperkt.
  • [10] Uniformering van maaltijdpatronen heeft betrekking op de sterke vervaging van bestaande regionale verschillen inclusief die tussen stad en platteland, zie J. Jobse-van Putten, Eenvoudig maar voedzaam. Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland (Nijmegen 1995) 499-520; ook klasseverschillen namen af, zie A.H. van Otterloo, Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. Een historisch-sociologische studie (Amsterdam 1990) 218-230 en 263-271. Voor versplintering van de markt, zie P.A.M. Lakatos en R.M. van Kralingen, Naar 1990. Een kwestie van tijd en geld (Amsterdam en Brussel 1985).
  • [11] Diverse gegevens in de volgende paragraaf genoemd zijn ontleend aan H.A. Leniger, ‘De betekenis en de ontwikkeling in de levensmiddelenindustrie’ (diesrede Landbouwhogeschool, 9 maart 1968), Conserva 16 (1968) 228-232 en aan A.M. Ruolf, 'Schaalvergroting in de levensmiddelenindustrie', Conserva 17 (1969) 273-276.
  • [12] C. Salzman, ‘Margriet’s advies aan de Nederlandse huisvrouw’, Volkskundig Bulletin 11 (1985) 1-27.
  • [13] A.P. den Hartog, ‘Eten buitenshuis. Ontwikkelingen van voedingsgewoonten buiten het huishouden’, Voeding 50 (1989) 282-286 en 311-315.
  • [14] Tussen 1970 en 1990 steeg het aantal vakantiegangers per 100 inwoners van 45 naar ruim 70, terwijl in diezelfde periode het aantal buitenlandse vakanties dat van de binnenlandse sterk ging overtroeven, CBS, 95 jaar statistiek, 231.
  • [15] W. Born, Kampeer- en caravankookboek (Helmond 1966).
  • [16] M. Berendsen, Worden aardappeleters pasta-eters? (Rotterdam 1997, Scriptie Maatschappijgeschiedenis) 84-88.
  • [17] CBS; Jobse-van Putten, Eenvoudig maar voedzaam, 339-341.
  • [18] N. Cohen en J.M.G. Flour, Topcases uit de Nederlandse marketing (Leiden en Antwerpen 1986), 77-86; Schreurs, Collectieve reclame (Leiden, 1991).
  • [19] B. Sluijter, Assortimentsonderzoek, Eindhoven/Amsterdam 1999, ongpubliceerd manuscript
  • [20] Het percentage vakantiegangers dat met de caravan op reis ging steeg tussen 1954 en 1971 van 1 naar 15, terwijl dat van tentkampeerders tot 1966 ruim verdubbelde tot 28 en daarna licht daalde, A. Hessels, Vakantie en vakantiespreiding sinds de eeuwwisseling (Assen 1973) 223-225.
  • [21] A.H. Van Otterloo, 'De herleving van de beweging voor natuur­lijk en gezond voedsel', Sociologisch Tijdschrift 10 (1983) 507-545.
  • [22] In 1966 vond 34,1% van de Nederlanders gezondheid het allerbelangrijkste in het leven, 35,3% koos voor een goed huwelijk en 17,8% voor een sterk geloof. In 1993 waren deze getallen afgerond respectievelijk 60%, 13% en 4%. Zie SCP, Sociaal en cultureel rapport 1996 (Rijswijk 1996) 466.
  • [23] Zie ook figuur 2 in hoofdstuk 1, Schema verwerkingsprocessen naar doelstelling.
  • [24] Vgl. Leniger, ‘De betekenis van en de ontwikkeling in de levensmiddelenindustrie’, Conserva 16 (1968) 228-232 ook de volgende alinea is hierop gebaseerd; zie ook F.C.van Luyck, Internationalisering van de levensmiddelenindustrie, Conserva 17 (1969) 238-241.
  • [25] Toch bedroeg het aantal academici in 1964 in de R&D-afdelingen van de voedingsmiddelenindustrie nog geen 300 en het bedrag hieraan besteed 40 miljoen gulden of 1.7% van de netto toegevoegde waarde. Dit maakte echter de voedingsmiddelenindustrie, zeker ve?!?!
  • [26] J. van Lieshout, Het kan wel op, al is het lekker (Bussum 1980) 52.
  • [27] O.C. Knottnerus, ‘Graanproducten’ in Leergang voedingsmiddelen van grondstof tot consument (Houten 1982) 125-131; 17 (1950), 22 (1960).
  • [28] Interview met prof. H.A. Leniger op 22 februari 1996 door A.H. van Otterloo.
  • [29] A.A. de la Bruheze, ‘Food for thought. The development of U.S. radiological food preservation technology 1950-1960’ (Universiteit Twente, Draftversion 1990); G. Vrieze, Voedselbestraling. Een moderne manier van conserveren (Scriptie WTS Universiteit Twente 1988)
  • [30] J.Farkas, Voedseldoorstraling in mondiaal perspectief, H.Labots, H.J.Beckers e.a.(red), Voedselconservering door straling, Leiden 1985, 41-47; Consumentenadditievengids (Den Haag 1996) 5.
  • [31] F.J. Tempel, ‘De levensmiddelensector van Unilever’, Rede gehouden in de algemene vergadering van aandeelhouders (Rotterdam 29 april 1964) 12-14; Ch. Wilson, Unilever in de tweede industriële revolutie 1945-1965 (‘s Hertogenbosch 1984) 223-224.
  • [32] ‘Vriesdrogen of droogvriezen’ in Grote Winkler Prins (Amsterdam 1975) 201; ook instantkoffie is gebaseerd op dit procede.
  • [33] W.J.Beek, History of research and engineering in Unilever 1911-1986 (Unilever 1996).
  • [34] Wilson, Unilever 1945-1965, 76; 79-81; 94-96. A. A. de la Bruheze, interne onderzoeksrapportage ‘Boter versus margarine’ (1999) 22-28.
  • [35] Vgl. L. Reijnders, R. Sijmons e.a., Voedsel in Nederland. Gezondheid, bedrog en vergif (Amsterdam 1973) en G. J. Huis in’t Veld, e.a. voedsel. Produktie, samenstelling, afzet, consumentenbelang (Amsterdam 1983).
  • [36] L. Veldhoen en J. van den Ende, Technische Mislukkingen (Rotterdam 1995) 18-22.
  • [37] A. Van Otterloo, 'De herleving van de beweging voor natuur­lijk en gezond voedsel', Sociologisch Tijdschrift 10 (1983) 507-545
  • [38] A.P. den Hartog, A. van der Heijden e.a., Nieuwe voedingsmiddelen. Biotechnologie, novel en functional foods, (Utrecht 1994) 1.
  • [39] J.G.A.J. Hautvast en R.J.J.Hermus, ‘Een voedsel-en voedingsbeleid in Nederland: bestrijding van de gevolgen van de welvaart, l en ll, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 123 (1979)22, 939-944 en 23, 975-985; L.Ginjaar, 'Waarom heeft Nederland een voedsel- en voedingsbeleid nodig?', Voeding 41 (1980) 19-22; Nota Voedingsbeleid, Tweede Kamer 1983-1984, nrs. 1 en 2.
  • [40] Sinds 1953 had de Schijf van Vijf gediend als voorlichtingsinstrument over goede voeding, maar de overdadige consumptie van vetten en sukers maakten het ouderwets, G.I. ter Haar e.a., ‘De Schijf van Vijf – een ideaal voedingsvoorlichtingsinstrument?’, Voeding 40 (1979) 34-41; Henk van der Belt e.a., Functional Foods. Van dilemma's naar beleid (Wageningen 1999) 20.
  • [41] J.H.Post en A.Pronk, enkele ontwikkelingen in de Nederlandse Voedings- en genotmiddelenindustrie in de periode 1973-1985, VMT (1986) 19. 19-23; Ministerie van Landbouw en Visserij en Ministerie van Economische Zaken, Voedings- en genotmiddelenindustrie. Bedrijfttakverkenning 1980 Cs-Gravenhage 1981) 11-15; J.C.M. Schogt en W.J. Beek, De toekomst van onze voedingsmiddelenindustrie (Amsterdam 1985); D. Jacobs e.a., De economische kracht van Nederland. Een toepassing van Porters benadering van de concurrentiekracht van landen (Den Haag 1990); K.J. van den Dool e.a., Om de gunst van de eterMarketing van agrarische kwaliteitsprodukten (Den Haag 1991).
  • [42] H.A.C.Thijssen, Stimulering van gerichte product- en procesontwikkeling in de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie dringend gewenst, Voedingsmiddelentechnologie, 8 februari 1978, 11 no 6, 21-25; H.A. Leniger, Het voedingsmiddelenonderzoek. In Nederland: organisatie, aard en omvang', Voedingsmiddelentechnologie 11 (1978) 21-29.
  • [43] ‘Vijftien kilometer fietsen voor de koopjes’, NRC-Handelsblad 14 september 1999.
  • [44] Gerard Rutte en Josee Koning, De supermarkt, 50 jaar geschiedenis. (Baarn 1998) 28, 72-75.
  • [45] Jo Legerstee vertelde dat hij op reis in de VS op het idee van de parkeerplaats kwam, toen hij vanuit het raam van zijn hotelkamer waarnam dat twee kerken, met en zonder parkeerplaats, verschilden in het aantal gelovigen dat ze trokken: de kerk met parkeerplaats had veel, de andere weinig bezoekers (interview met Anneke van Otterloo, augustus 1998).
  • [46] I. Montijn, Aan tafel! Vijftig jaar eten in Nederland (Utrecht/Antwerpen 1991) 40-56.
  • [47] Allerhande 1956; H.Ph. Hondelink, Detailhandel. Een geschiedenis en bronnenoverzicht (Amsterdam 1993) 26-27, 29, 30.
  • [48] Vakblad voor de groothandel in aardappelen, groenten en fruit 14 (1960) no 30, 2.
  • [49] Het Levensmiddelenbedrijf 65 (1961) no 32, 1031.
  • [50] Marlou Schrover, ‘De Fiva als bijzondere variant van collectieve verticale prijsbinding, 1928-1975’ in Neha-Jaarboek voor economische, bedrijfs- en techniekgeschiedenis 59 (1996), 292-329.
  • [51] W. Schreurs, Geschiedenis van de reclame (Utrecht 1989) 177-181; A.P. den Hartog e.a., ‘Voedingsinformatie in reclame. Een analyse van 85 jaar voedingsmiddelenadvertenties’ Voeding 50 (1989) 224-229.
  • [52] Ook Zwitserland inspireerde tot innovatie; hier organiseerde Gottlieb Duttweiler van Migros, bedenker van de rijdende winkel, elk jaar een driedaags congres over zelfbediening; J.L. de Jager, Arm en rijk kunnen bij mij hun inkopen doen. De geschiedenis van Albert Heijn en Koninklijke Ahold (Baarn 1995) 67.
  • [53] Rutte en Koning, De supermarkt, 75.
  • [54] Montijn, Aan tafel, 50.
  • [55] A.C. Arts, Het levensmiddelenbedrijf (‘sGravenhage 1981) 10.
  • [56] Dit symposium werd in 1968 gehouden en is uitvoerig verslagen in een aantal afleveringen van Conserva, vgl. C. Govers, ‘Assortiment en presentatie in de voedingsmiddelensector’, 17 (1969) 307-308 en P. Ligtenstein, ‘De distributie van levens- en genotmiddelen', 17 (1969) 337-338; De Jager, Arm en rijk; interviews van Anneke van Otterloo met Jo Legerstee en W. de Groote (juli en aug. 1998).
  • [57] C. Govers, ‘Assortiment en presentatie’. Blijkens dit artikel werd in de VS rond 1968 jaarlijks 22% aan nieuwe en vernieuwde producten op de markt gebracht, terwijl 17% afviel, een nettogroei van 5% per jaar, hetgeen een volledige vernieuwing van het asso
  • [58] De Jager, Arm en rijk, 196-205; Jobse-van Putten, Eenvoudig maar voedzaam, 450-452.
  • [59] D.E.Aldershoff, ‘Tijdbesteding aan de zorg voor voeding’ Voeding 46 (1985) 208-213.
  • [60] Hondelink, Detailhandel, 49.
  • [61] A.P. den Hartog, ‘Eten ‘buitenshuis’: Ontwikkelingen van voedingsgewoonten buiten het huishouden’ Voeding 50 (1989) 282-286, 311-317.
  • [62] Trouw, 7 juni 2000.
  • [63] Geoff Tansey & Tony Worsley, The food system: a guide (London 1995)
  • [64] W.de Wit, Ketendenken noodzakelijk om concurrentiepositie te versterken, VMT, 30 maart 1995, no 7, 46-50.
  • [65] Zie voor het idee van reflexieve modernisering U. Beck, Risikogesellschaft: Aug dem Weg in eine andere Moderne (Frankfurt am Main 1986). Dit proces is al eerder zichtbaar, bijvoorbeeld in de Tweede Wereldoorlog toen er ook een apparaat ontstond om productie, distributie en consumptie op elkaar af te stemmen.