Onbehagen onder consumenten over de samenstelling van voedsel

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Voedsel en zijn bestanddelen lijkt in de twintigste eeuw met regelmaat aanleiding te geven voor debat, onenigheid en strijd tussen een steeds groter aantal maatschappelijke belangengroepen. Waren het aanvankelijk wetenschappers en overheden die normen stelden en voorschreven wat ‘goed’ voedsel was en welke stoffen het voedsel al dan niet moest bevatten in verband met gezondheid, al spoedig kwamen deze regels via een decennialang uitdijend middenveld terecht bij het publiek.


Consumenten in al hun verscheidenheid schiepen hun eigen voorstellingen van heil en onheil over voedsel, voorstellingen die vaak met de wetenschappelijke opvattingen in het geheel niet overeenkwamen. Zo bleek uit onderzoek in de jaren tachtig dat consumenten bij de inschatting van gezondheidsrisico’s van het eten van voedsel in vergelijking met wetenschappers een omgekeerde volgorde hanteerden. Zij achtten contaminanten en additieven het grootste probleem, terwijl voor wetenschappers slechte eetgewoonten (te veel, eenzijdig), pathogene micro-organismen en natuurlijke giftige stoffen bovenaan op het lijstje gevaren stonden en additieven (als goed onderzochte en bewaakte stoffen) juist onderaan.[48]


De onrust onder consumenten over vreemde toevoegingen en restanten in hun voedsel werd weliswaar na 1970 ineens krachtig verwoord en uitvergroot door de media en kritische wetenschappers, maar deze was niet nieuw.

Het rundvee wordt ook bijgevoerd met slachtafval, waardoor een afwijking het zelfs tot een gevaar voor de gezondheid kan maken.

Het onbehagen in de industrialisatie van voedsel kreeg in Nederland al in 1894 gestalte in de vorm van de oprichting van de Vegetariërsbond, in de jaren twintig en dertig gevolgd door de aanhangers van de biologisch-dynamische landbouwmethode en de reformbeweging. Deze groepen streefden naar een ‘natuurlijk en gezond’ leven voor mens, dier en plant. Met de enorme toename van de schaal van ‘mechanisering en chemicalisering’ van voedsel en de groei van de bio-industrie na 1950 hebben de kritische overtuigingen zich gespreid en gediversifieerd.[49]


In de laatste jaren voor 2000 zijn onheilsboodschappen in de media aan de orde van de dag, variërend van gekkekoeienziekte (BSE), die het eten van vlees riskant maakt, tot verontreinigde frisdrank. Het gaat daarbij steeds om stoffen die in zeer kleine hoeveelheden in voedsel achtergebleven zijn, zoals bestrijdingsmiddelen en hormonen. Echter, ook producten en ingrediënten gemaakt met behulp van biotechnologie of dieronvriendelijke productiemethoden zijn voor bewuste consumenten onacceptabel. Zo stopte in mei 2000 Unilever met het gebruik van met behulp van biotechnologie geproduceerde ingrediënten in bijvoorbeeld soep, ijs, pizza’s en kroketten.[50]


Het publieke onbehagen over in de jaren zeventig was wel breder dan voorheen, maar bleef toch ook paradoxaal. Veel consumenten bleven het overvloedige assortiment uit de supermarkt kopen en eten, zoals ze dat in de voorgaande decennia gewend waren geraakt. Aan de eisen die werden gesteld aan hygiëne, voedzaamheid, houdbaarheid, gemak, aantrekkelijkheid van smaak, consistentie, kleur en geur en een voortdurende variatie werd de eis van ‘natuurlijkheid’ toegevoegd, terwijl de vraag is hoe ze met elkaar zijn te rijmen.


Producenten hebben gereageerd op de nieuwe wensen en zijn op zoek gegaan naar ‘natuurlijke’ en ‘natuuridentieke’ kleur-, geur- en smaakstoffen en methoden om de ‘noodzakelijke’ toevoeging van conserveermiddelen en andere additieven te verminderen. Wetenschappers deden onderzoek naar de condities en werking van voedsel, dat was geproduceerd met alternatieve methoden en stoffen.[51] De strijd binnen de wetenschap over maximale en minimale grenswaarden en toelaatbaarheid van stoffen werd voortgezet. Deze problemen werden ingewikkelder naarmate de grenzen van Nederland zich verruimden tot het uitdijende gebied van de EEG. Wetenschap en praktijk zijn in de laatste decennia van de twintigste eeuw op het gebied van de microstoffen en -processen in een zodanige stroomversnelling geraakt, dat inzichten, mogelijkheden en normstellingen voortdurend veranderden.


Ook de overheid, die op de onrust had gereageerd met verschillende aanpassingen van de Warenwet tussen 1982 en 1988, moest zich in internationaal verband blijven aanpassen. Een verzuchting uit 1995 luidde: ‘Omdat de lidstaten van de EU als geheel een vrij liberaal beleid voeren kan Nederland langzamerhand moeilijk achterblijven. Er wordt nu op het Ministerie van WVC gewerkt aan een beleid dat wat betreft de toevoegingen van microstoffen beduidend meer toestaat dan tot dusverre het geval is geweest.’[52]


Ten slotte veranderden ook de consumentenopvattingen, die de genoemde ontwikkelingen deels in gang hadden gezet, zelf. Uit diverse opinie-onderzoeken bleek dat hun mening over de gevaren van voedsel in de jaren negentig de opvatting van wetenschappers dicht genaderd waren. Voedselbederf en verkeerde voedselkeuze stonden nu bovenaan op de risicolijst, terwijl de plaats van additieven aanzienlijk was gezakt.[53]

Deze peiling vond echter plaats voordat grote ‘affaires’ als de BSE-crisis de alarmklok luidden over de veiligheidsrisico’s van de gehele voedingsmiddelenketen.