Ontwikkelingen in voedselproductie en -consumptie

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Overheid en maatschappelijke organisaties actief bij kwaliteitsproblemen

Rond 1890 vond de doorbraak van de modernisering en industrialisering van de voeding plaats. Het assortiment werd verruimd voor grotere delen van de bevolking. Met name de eerste schakels in de keten (voedings- en genotmiddelenindustrie) breidden zich sterk uit. De keten werd hierdoor aanzienlijk verlengd en dit leidde tot allerlei kwaliteitsproblemen.

Organisaties en andere vertegenwoordigers van overheid en wetenschap probeerden deze problemen op te lossen, waarbij de meningen binnen en tussen deze groepen nogal eens botsten. De pogingen tot regulering resulteerden uiteindelijk in de Warenwet van 1919.

Met de Eerste Wereldoorlog ontstonden geheel nieuwe afhankelijkheidsrelaties tussen overheden en bedrijven en tussen bedrijven onderling. Een deel van de bevolking maakte door de oorlogsdistributie voor het eerst kennis met nieuwe producten, zoals blikvoedsel.

Van belang is ook de opkomst van een gevarieerd middenveld, dat een cruciale rol speelde in het proces van maatschappelijke inbedding van een reeks van nieuwe producten. Een groeiend en divers aantal maatschappelijke (vrouwen)organisaties ging zich beijveren voor "modern" voedsel en gaf, samen met de overheid en wetenschappelijke instellingen, het middenveld vorm. Een krachtig middenveld bleek vervolgens van cruciaal belang voor de goede organisatie van de voedseldistributie in de Tweede Wereldoorlog.

In zekere zin werd de keten in deze oorlog voor het eerst reflexief, dat wil zeggen: onderwerp van bewust (overheids)ingrijpen op het niveau van alle schakels, met steun van de wetenschap. Was de doorbraak van wat later werd benoemd als het modern-industrieel assortiment en - voedselpatroon in de steden rond 1920 al grotendeels een feit, in diverse plattelandsgebieden en onder de minst bevoorrechte sociale lagen duurde dit evenwel tot rond 1960.[37] Het ontstane maaltijdenpatroon van twee broodmaaltijden en één warme maaltijd per dag was de uitkomst van een traag verlopend uniformeringsproces dat toen was voltooid.[38]


Ontwikkelingen en trends na 1960

Na 1960 werden nieuwe trends zichtbaar, zoals de bredere opkomst van het assortiment van kant en klare artikelen, ruimere investeringen in onderzoek (Research & Development) in het bedrijfsleven, de institutionalisering van de voedingswetenschappen in Wageningen, welvaartsvermeerdering, intensiever gebruik van reclame via media als televisie en ingrijpende veranderingen in de samenstelling en gedragingen van gezinshuishoudens en hun leden.

Bij een winkelier in Tilburg staat een rij wachtenden vanwege distributie van voeding door de distributiewet (1918).

Een belangrijke ontwikkeling in deze periode was de opkomst van zelfbediening en de supermarkt. Het als typisch Nederlands ervaren uniforme maaltijdenpatroon verdween na 1960 al weer snel. Een ‘versplintering van de markt’, de opkomst van buitenshuis eten en grazing droegen bij tot een nieuwe differentiatie.

Een belangrijke ontwikkeling in dit tijdvak is de doorbraak van de consumentenkritiek op "vreemde toevoegingen" aan industrieel voedsel. Rond 1990 deden zich nieuwe veranderingen voor in de keten en het assortiment. De bij de schakels betrokken groepen werden zich bewust van de noodzaak hun gedragingen op elkaar af te stemmen: er ontstond "ketendenken". Diverse soorten novel foods en innovatieve toepassingen van biotechnologie werden onderwerp van debat binnen en buiten de keten.[39]