Oorlog en distributie van voedsel

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

De Eerste Wereldoorlog: de overheid reageert op tekorten en prijsopdrijving

De paniekstemming onder de Nederlanders bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, begin augustus 1914, leidde tot allerlei vormen van hamsteren, met name van kruidenierswaren.[86] Om dreigende tekorten en verdere prijsopdrijving te voorkomen, vaardigde de regering een Levensmiddelenwet uit. Burgemeesters kregen het recht voor de huishoudens benodigd voedsel en brandstof in beslag te nemen en tegen min of meer normale prijzen te verkopen. Deze wet bleek ineffectief. Veel burgemeesters hadden agrarische belangen en waren niet altijd onpartijdig, controle was moeilijk en er stonden geen sancties op overtreding.


Andere maatregelen die werden genomen in de eerste maanden na de mobilisatie, betroffen het verbod op de uitvoer van voor de voedselvoorziening onontbeerlijke grondstoffen en voedingsmiddelen. Het ging om granen, peulvruchten, suiker, graanproducten, eieren, aardappelen, boter, kaas, dierlijke vetten, runderen, varkens en kippen.


Nederlands Overzee Trustgenootschap

Toen de oorlog vorderde en grimmiger werd, blokkeerden de geallieerden de import en doorvoer van artikelen voor de centrale mogendheden. Nederland kwam hierdoor in een penibele situatie, hetgeen leidde tot de oprichting van het Nederlandsche Overzee Trustgenootschap (NOT), in naam een particuliere organisatie. Dit genootschap slaagde er een tijdlang in door middel van controle de invoer zo goed en zo kwaad als het ging op gang te houden. De productie kwam daardoor pas stil te liggen toen, behalve grondstoffen als oliehoudende zaden, ook materialen en grondstoffen als blik en steenkool begonnen te ontbreken of in beslag werden genomen. De uitvoer kwam met de onbeperkte duikbotenoorlog van 1917 bijna geheel tot stilstand, ondanks pogingen tot een regeling met de geallieerden. De landbouw en de agrarische industrie, gericht als deze waren op de export van eindproducten en de import van grondstoffen als broodgraan, meststoffen en veevoeders, stonden onder sterke druk van de contingentering. Zo stond de regering de export van kaas alleen toe indien een deel van de kaas tegen een lage prijs tot haar beschikking werd gesteld.


Producenten: boeren en voedingsmiddelenbedrijven

Het Rijksgraanbureau regelde de graanafzet en -verdeling centraal. Boeren werden gedwongen hun oogsten van granen, zaden en aardappelen aan de regering af te staan en kregen teeltbeperkingen en -geboden opgelegd. In 1918 werd op boeren bijvoorbeeld grote druk uitgeoefend om weidegrond te ‘scheuren’ voor het telen van koren.

Sommige voedingsmiddelenbedrijven hadden echter baat bij de oorlog en maakten soms grote winsten. De vleesfabriek van Hartog kon het voltallige personeel van 191 mensen gedurende de gehele oorlog handhaven en maakte in 1917 1,4 miljoen gulden winst; pas in 1918 kwamen afdelingen stil te liggen.[87]

Transport van aardappelen in Amsterdam in 1917 onder begeleiding van militairen.


Weerstanden bij de consument

Wat waren de gevolgen voor de consumenten? Onder invloed van de heersende schaarste legde de overheid de prijzen en de consumptie van basisartikelen zoals brood aan banden. Het Rijksgraanbureau trad op als broodfabrikant en distributeur. Het grauwgrijze "regeeringsbrood" werd verstrekt tegen betaalbare prijzen, soms zelfs onder de kostprijs. De fabrikant was zeer zuinig met de beschikbare grondstoffen en mengde voor het bakken meel van tarwe, rijst en aardappelen. Door bleken en toepassing van andere experimentele methoden slaagde hij erin het brood een steeds witter uiterlijk te geven, hetgeen de bezwaren van een aantal consumenten tegen het oorlogsproduct wegnam.[88]

Toen de schaarste vanaf 1916 toenam, gingen het brood op de bon, evenals meel, boter, kaas, eieren en andere voedingsmiddelen, alsmede brandstoffen. Naast regeringsmelk waren ook regeringsvet en -vis (schol, schelvis) beschikbaar gesteld.[89]


Sommige van de maatregelen stuitten in 1917 op grote weerstanden. Het bruine brood, de eenheidsworst (gemaakt door 10% varkens- en 90% rundvlees te mengen met zout en kruiden) en de rijst waren geen succes. Er was veel rijst in voorraad, terwijl aardappelen juist schaars waren. De meeste consumenten waren niet aan rijst als hoofdgerecht gewend, tenzij in combinatie met vis. Ze aten liever aardappelen, terwijl ze ook witbrood prefereerden in plaats van bruin. Witbrood mocht ten slotte alleen nog op medisch advies worden toebedeeld.


Raadgevingen voor de consument

In Amsterdam schreven de invloedrijke kooklerares Martine Wittop-Koning en haar collega’s van het huishoudonderwijs talloze brochures met raadgevingen over de vervaardiging van surrogaten voor koffie, thee en andere producten in eigen keuken (zie kader ). Ze informeerden huisvrouwen tevens over verlenging van de houdbaarheid van de (intussen zeer kostbaar geworden) voedingsmiddelen.[90] Plattelandsbewoners konden in tegenstelling tot stadsbewoners terugvallen op zelfvoorziening, waardoor daar de schaarste minder nijpend was.


Achteruitgang voedingstoestand en aardappeloproeren

Uit budgetonderzoek bleek dat de voedingstoestand van groepen met lage inkomens achteruitging. Een commissie van de Centrale Gezondheidsraad ontkende echter ook dat van ondervoeding kon worden gesproken. Deze mening werd door vertegenwoordigers van de Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunst sterk betwist; ook later is de juistheid van de rapportage in twijfel getrokken.[91]

Zeker is dat de minstvermogenden op het eind van de oorlog vaak weer terugvielen in de eenzijdige eentonigheid van de maaltijd die ze pas achter zich hadden gelaten. Dat aardappelen voor de maaltijden nog steeds de basis vormden, bleek uit de aardappeloproeren in de steden in 1917, waarvan de ernstigste in Rotterdam en Amsterdam plaatsvonden, waarbij huisvrouwen voor Engeland gereedliggende aardappelschepen bestormden en leeghaalden. Er vonden hongeropstootjes plaats, winkels werden geplunderd en bij het politieoptreden vielen doden en gewonden. De rust keerde pas weer nadat de aardappelrantsoenen waren verhoogd.[92]


Sociale effecten distributie

De distributiemaatregelen hadden ook een andere, onbedoelde invloed op de consumptie. Omdat de distributie de voedingsmiddelen voor iedereen, arm of rijk, stad of platteland en ongeacht welke regio, beschikbaar stelde, had ze een egaliserende invloed.

Consumenten konden, naast de vaste rantsoenen brood, meel en suiker, kennis maken met niet eerder geproefde industriële waren zoals blikconserven, puddingpoeder, macaroni en jam.[93] Ook suiker, gebruikt in de plaats van stroop, was voor sommige regio’s nieuw. Bedrijven die door de exportmaatregelen met hun afzet bleven zitten, zoals fabrieken voor gecondenseerde melk en melkpoeder, probeerden deze via de overheid aan het publiek te verkopen. Melk was immers schaars in de steden, omdat de veehouders hun dieren wegens gebrek aan voeder hadden moeten slachten. Toch was de binnenlandse afzet van melkpoeder geen groot succes.


De Eerste Wereldoorlog als katalysator

De oorlog had ook effecten op de technische en economische ontwikkeling.[94]Allereerst indirect. Via de contingenteringsdwang door de NOT brachten de overheidsmaatregelen een concentratiegolf in het bedrijfsleven teweeg, waardoor alleen de grotere ondernemingen overleefden. Deze konden investeren in technische innovaties. Gebrek aan grondstoffen had bedrijven voorts gestimuleerd te zoeken naar surrogaten of nieuwe producten.


Zo nam De Coöperatieve Condensfabriek Friesland, opgericht in 1913, in verband met het verbod op de suikerexport, in 1917 twee nieuwe producten in bewerking: ongesuikerde gesteriliseerde melk en melkpoeder. Hiervoor moest de fabriek eerst de benodigde technieken en machines bestuderen en aanschaffen.[95] Toen de blikschaarste aanhield, stapte de conservenindustrie voor de verpakking van de waren veelal over van blik op glas. Gebrek aan grondstoffen voor brood en beschuit stimuleerde Verkade nieuwe producten te fabriceren, zoals bonbons en chocolaatjes. De fabricage van biscuits werd ter hand genomen omdat de aanvoer uit Engeland was gestopt.[96]


Net als de landbouwcrisis in de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw fungeerde de Eerste Wereldoorlog als katalysator van de modernisering en industrialisering van de productie- en consumptieschakels van de voedingsmiddelenketen en van het assortiment. De pogingen tot regulering van de keten door de overheid waren daarbij een nieuw fenomeen en van groot belang.