Pioniers op vriesgebied

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

C.B. Birdseye

‘Amerika bereidt een revolutie in de voedselindustrie voor’, berichtte het tijdschrift Natuur en Techniek in 1931.[29] De revolutie waarop het tijdschrift doelde, was die van de diepvriesmethode die door de Amerikaanse bioloog C.B. Birdseye was ontwikkeld en door General Foods te gelde werd gemaakt. Vis, vlees, vruchtensappen en zelfs tere vruchten als aardbeien smaakten volgens het artikel nog steeds even goed na in bevroren toestand te zijn bewaard.

De methode van Birdeye was erop gericht het voedingsmiddel in kwestie zo snel mogelijk in bevroren toestand te brengen, net als bij toepassing van de methode-Ottesen. Birdseye was tot de ontdekking gekomen dat de bekende taaiheid van bevroren vlees werd veroorzaakt door onvoldoende snelheid tijdens de bevriezing, waardoor de holten in de structuur van het vlees werden gevuld met nogal grove ijskristallen. Bij een snelle bevriezing bij zeer lage temperaturen, zoals onder natuurlijke omstandigheden in de winter in het noorden van Labrador gebeurde met door Eskimo’s gevangen vis en prooidieren, ontstonden in de voedingswaar fijne kristallen, die verder geen schade aanrichtten.

Birdseye was niet de enige in de jaren twintig in de Verenigde Staten die met dergelijke vriesmethoden experimenteerde; de uitbating van zijn ideeën door een groot voedingsconcern zorgde er echter voor dat hij wel de bekendste werd.


Nederlanders

De eerste Nederlanders die met eigen ogen de Amerikaanse diepvriesproducten en -industrie van dichtbij gingen bezien, waren de Rotterdamse zakenlieden D. de Vries, importeur van gedroogde en ingeblikte vruchten, en H.J. Onnes, directeur van Blaauwhoeden-Vriesseveem, kortheidshalve hierna Blaauwhoed genoemd. Ze opereerden los van elkaar.[30] De interesse van De Vries en Onnes vloeide rechtstreeks voort uit hun beroepspraktijk.

De Vries was onder andere agent van Delmonte, een topmerk op het gebied van ingeblikt fruit. Onnes’ betrokkenheid is goed te begrijpen vanuit de wetenschap dat Blaauwhoed beschikte over verscheidene koel- en vrieshuizen, gebouwd voor opslagdoeleinden. In 1935 richtte De Vries de ‘N.V. Vriesproducten Industrie Kristal’ op. De Vries vroor vruchten in, die hij verkocht via banketbakkerij Ulrich in Rotterdam. Op deze manier kon hij beschikken over de benodigde koelruimte.

IJsfabriek IJmuiden met op de achtergrond de rijksvisserijhaven te IJmuiden, 1900.

Onnes reisde in 1937 naar de Verenigde Staten, waar hij een rondreis maakte langs bedrijven die vis, vlees, gevogelte, groenten en fruit invroren.[31] Onnes’ maatschappij Blaauwhoed richtte direct na zijn terugkomst een bedrijfje in op de zolder van het uit 1899 stammende vrieshuis Gabak. Onnes concentreerde zich op het invriezen van groenten en fruit. Bij wijze van proef verkocht hij via enkele ‘betere’ groenten- en fruitwinkels; ook in het voorbeeldland Amerika waren diepgevroren levensmiddelen luxeartikelen.[32]

Blaauwhoed vergrootte haar productiecapaciteit in 1939 met de overname van een failliet verklaarde conservenfabriek in Leiden. Hier werden de producten voorbewerkt en vervolgens in vaten gekoeld naar Rotterdam vervoerd, waar ze werden ingevroren. Het resultaat werd aanvankelijk onder de merknaam ‘Blau-fries’ aan de man gebracht, maar al snel werd het merk ‘Vita’ gebruikt. Blaauwhoedenveem richtte een NV op met dezelfde naam. Om de verkoop van haar producten in de detailhandel mogelijk te maken, schafte Vita acht vrieskisten aan van veertig liter elk.[33]


Afzetperikelen

Een verkoopleider van Vita vertelde: ‘Het bevriezen van levensmiddelen stond toen in een kwade reuk. Men verbond vriezen (...) met het kapot vriezen van producten op het land door nachtvorst en met de kwaliteit van bevroren vleesimporten uit Argentinië.’[34] Diepgevroren groenten slijten aan de huishoudens in een periode dat de Nederlandse conservenindustrie wegkwijnde en groenten en fruit massaal werden doorgedraaid op de veilingen als gevolg van de lage prijzen, was dan ook niet eenvoudig.

Eenvoudiger bleek het grootverbruikers voor het nieuwe product te interesseren. De Holland-Amerika Lijn, die diepvriesvoedsel al uit de Verenigde Staten kende, behoorde tot de eerste afnemers van Vita. Ook andere scheepvaartmaatschappijen pasten het nieuwe product toe.[35] Diepvries paste binnen het bestaande patroon bij de scheepvaartmaatschappijen: niet alleen waren ze gewend om gebruik te maken van geconserveerd voedsel, maar ze beschikten tevens over koelruimte aan boord van hun schepen.[36] Verder kochten Grand Hotel Centraal in Den Haag -waarschijnlijk werd hiermee het Kurhaus in Scheveningen bedoeld - en de Italiaanse ijsbereider Angelo Betti diepvriesproducten van Vita.[37] Andere hotels en restaurants volgden.[38]

Tevens ontwikkelde Vita plannen voor de export naar Groot-Brittannië en Duitsland. Voordat het zover kwam, veranderde de Duitse bezetting de situatie.


Andere Nederlandse voorlopers

Nog voordat in Rotterdam commerciële experimenten met het diepvriezen van groenten en fruit werden gedaan, vonden dergelijke proefnemingen al plaats binnen het Laboratorium voor Tuinbouwplantenteelt te Wageningen onder leiding van prof.ir. A.M. Sprenger en ir. R. Mulder. In 1934 en 1935 experimenteerden beiden met uit de Verenigde Staten bekende vriesmethoden. Met name Mulder zou als rijkstuinbouwconsulent een belangrijke rol vervullen bij het onderzoek naar het koelen en vriezen van tuinbouwproducten.

In Wageningen werd onder andere geëxperimenteerd met het bevriezen van zacht fruit in suikersiroop.[39] Dit onderzoek kreeg in 1940 een forse impuls met de aanstelling van ir. T. van Hiele tot ‘Rijkstuinbouwconsulent belast met koelaangelegenheden’. In samenwerking met de industrie zou dit onderzoek tijdens de Tweede Wereldoorlog een hoge vlucht nemen.