Veranderingen in het voedselpatroon

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Nieuwe industriële producten

De beschreven periode rond de eeuwwisseling kenmerkte zich door het verschijnen van nieuwe, eerder niet bestaande of vervangende industriële producten. Jam is hiervan een goed voorbeeld. Sommige agrarisch-ambachtelijke producten verdwenen, terwijl andere zich handhaafden, zoals slachtvetten. Het gebruik hiervan hing vaak samen met de zelfvoorziening, die in sommige streken bleef voortbestaan.

De meeste industriële producten drongen door in de steden en onder alle lagen van de bevolking, maar minder op het platteland. Sommige producten bleven nog tot bepaalde lagen van de bevolking behoren, zoals margarine, de ‘armeluisboter’, terwijl andere producten een bredere verspreiding kregen, bijvoorbeeld chocolade. Kenmerkend voor het assortiment was een grote variatie en de nevenschikking van het nieuwe naast het oude.

Een affiche van Van Nelle, waardoor men een modern product kon verwachten.


Hygiëne en voedingswaarde

Schaarsteproblemen, aangeduid als kwesties van kwantiteit, waren verminderd, maar niet verdwenen. De noodzakelijke aanschaf van voedsel legde voor de meeste consumenten een aanzienlijk beslag op het huidhoudelijk budget. De inkomens van grote bevolkingsgroepen waren weliswaar enigszins gestegen en sommige prijzen gedaald, maar door calamiteiten als werkloosheid en oorlog werden ze snel aangetast. Diverse belangengroepen poogden bepaalde kwaliteitsproblemen onder controle te krijgen op basis van wetenschappelijke inzichten en door aan te dringen op overheidsregulering. De dimensies van kwaliteit die in deze periode op bredere schaal aan de orde kwamen, betroffen op de eerste plaats de hygiëne en garanties voor zuivere, niet vervalste waren. Een tweede belangrijke dimensie van kwaliteit, die in deze periode een maatschappelijk meer geaccepteerde maatstaf werd, was de voedingswaarde.


Reclame en voorlichting

Deze twee kwaliteiten van voedsel, vastgesteld door wetenschappers door middel van nieuwe wetenschappelijke analysetechnieken in laboratoria, werden door verschillende belangengroepen aangegrepen om producten en kennisinfrastructuren maatschappelijk in te bedden. Fabrikanten konden reclame gaan maken om hun naamsbekendheid te verhogen door verpakkingen van teksten te voorzien. Verpakking diende ook om hygiëne en distributiegemak veilig te stellen. Behalve door reclame werden consumenten ook door kookleraressen voorgelicht over de aanschaf en bereiding van voedingsmiddelen. Deze grepen noodgedwongen vaak terug op oudere methoden en technieken van voedselbewaring en -bereiding. Toch bleek de Eerste Wereldoorlog achteraf ook de consumptie van nieuwe producten te hebben bevorderd door distributiemaatregelen van de overheid. De maatschappelijke inbedding van producten zoals suiker kreeg door de distributie een belangrijke impuls.


Eén warme maaltijd

De modernisering en industrialisering van het assortiment leidden zo, in combinatie met ontwikkelingen als de verstedelijking en het ontstaan van een nieuw dagritme op fabrieken en kantoren, tot een wijziging van voedselkeuzes en maaltijdpatronen. Het gebruik van (fabrieks)brood in plaats van zelfbereide pap, aardappelen en pannenkoeken als ontbijt en lunch vormde daarvan niet meer dan één aspect. Het drinken van koffie, thee en soms cacao met suiker bij het brood of tussendoor met een versnapering had het drinken van bier, water of (karne)melk praktisch geheel vervangen. Deze wijzigingen oefenden eveneens sterke invloed uit op de volgorde en het soort maaltijden die in Nederland gewoon werden. Het patroon ging langzaam verschuiven van meerdere warme en koude maaltijden per dag naar één warme en twee broodmaaltijden.[106]

Deze verschuivingen in de consumptie van voedsel verliepen met grote tempoverschillen tussen regio’s, stad of platteland en sociale lagen. Veel veranderingen begonnen in de steden en onder de burgerlijke elite, zoals het gebruik van thee en conserven, maar andere eerder in de lagere klassen, zoals de consumptie van margarine. Zoete lekkernijen produceerde de industrie voor alle klassen: van dure bonbons tot goedkoop suikerwerk en chocola.