Voedselvoorziening tijdens de oorlog

Van Techniek in Nederland

Ga naar: navigatie, zoek

Systematisch overheidsbeleid

De Duitse bezetting had een grotere invloed op de voedselvoorziening dan de crisismaatregelen. De overheid had van de tijdens de Eerste Wereldoorlog opgedane ervaringen geleerd en zette de crisismaatregelen uit de jaren dertig voort, maar nu veel systematischer. Toen de oorlogsdreiging serieuze vormen ging aannemen, werden maatregelen voorbereid om de productie, distributie en consumptie van voedsel op grote schaal centraal te kunnen reguleren. Het overheidsbeleid inzake de landbouw en voedselvoorziening breidde zich opnieuw sterk uit, liet het vrijemarktprincipe geheel los, richtte zich op ingrijpen en veranderde daarmee definitief van karakter.

Dit rigoureuze beleid was in sterke mate beïnvloed door de opvattingen en activiteiten van dr.ir. S.L. Louwes, commissaris Akkerbouw en Veehouderij van het ministerie van Landbouw. Hij had al sinds 1934 bij de rijksoverheid aangedrongen op een consistent en veelomvattend beleid in plaats van ad hoc maatregelen en slaagde erin een overkoepelend Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd op te richten in 1937. Toen de oorlog in 1940 werkelijk uitbrak, werd het woord voorbereiding uit de titel geschrapt. Via dit rijksbureau zijn zeer veel maatregelen genomen die de Nederlandse voedselvoorziening tijdens de oorlog op peil hebben gehouden tot aan de hongerwinter van 1944/1945.[39]


Maatregelen

Het probleem van de nationale voedselvoorziening was vooral de scheve verhouding tussen de import en export van respectievelijk grondstoffen en hoogwaardige verse en bewerkte producten. Ingevoerd werden tarwe, oliezaden, veevoer en koloniale waren, terwijl vlees, zuivel, tuinbouwproducten en eieren werden uitgevoerd. Nederland kon zichzelf niet voeden wanneer de schakels van (productie en) distributie in de keten belemmeringen ondervonden. De door het rijksbureau ontworpen maatregelen waren erop gericht om deze situatie zoveel mogelijk te voorkomen en te bestrijden.

Er werd een apparaat opgezet om schaarste in plaats van overproductie, zoals in de jaren dertig, te kunnen bestrijden en dat bestond uit elf productorganisaties waarbij bedrijven zich verplicht moesten aansluiten. Brood was als eerste volksvoedsel bedreigd en daarom werd de productie, opslag en distributie van graan als eerste centraal geregeld. De boeren moesten hun weidegrond geschikt maken voor akkerbouw en tussen 1940 en 1943 kromp het weideareaal in met 16%; zelfs parken werden gebruikt voor de graanproductie. Voorts werden de boeren verplicht hun veestapel te verkleinen in verband met de beperkte veevoervoorraden. Voor de boeren betekende het doorvoeren van deze maatregel kapitaalvernietiging, waardoor deze maatregel een strikte controle vereiste; in ruil voor hun medewerking kregen de boeren meer voedsel toegewezen.

Vele andere wijzigingen in de bestaande productie werden doorgevoerd met het oog op het streven naar autarkie en een zo economisch mogelijk gebruik maken van agrarische grondstoffen waarvan de Nederlandse bevolking voor haar voeding afhankelijk was. Behalve graan werd onder meer ook een voorraad vet aangelegd.

Bijna de hele voedselvoorziening was centraal geregeld, zelfs tot en met het vervoer door heel Nederland. Een groot deel van de productie ging echter naar het Duitse leger. De bedrijfsvoering in de landbouw werd moeilijker op het moment dat paarden werden gevorderd en kunstmest, brandstoffen voor machines, reserveonderdelen en arbeidskrachten begonnen te ontbreken.

Niettemin bleef de landbouw functioneren. Van vele zorgvuldig gespaarde voorraden (vet, rijst, koffie, cacao) moesten echter grote porties aan de bezetter worden geleverd. Als onderdeel van de maatregelen werd in 1940 het Landbouw-Economisch Instituut opgericht om ook vanuit die wetenschappelijke invalshoek alles te doen wat mogelijk was voor landbouw en voeding.[40]

Overigens verliet een deel van de bevolking zich voor sommige producten op volkstuinen en andere vormen van zelfvoorziening.[41]

Als gevolg van de Duitse bezetting was vlees eind jaren veertig nog schaars, waardoor vrouwen in 1948 de straat op gingen om meer te eisen.


Organisatie

Behalve het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd kwamen in luttele jaren enkele andere belangrijke organen en instellingen tot stand, die nauw met elkaar samenwerkten om de volksgezondheid en voedingstoestand van de Nederlandse bevolking op peil te houden. Hierin waren vertegenwoordigers van overheid, wetenschap en voorlichting vertegenwoordigd, die het al bestaande netwerk van onderzoeks- en adviesinstanties versterkten. Allereerst werd in 1940 de Commissie Voeding van de Gezondheidsraad ingesteld, al spoedig Voedingsraad genoemd.[42]


Distributie

Het door Louwes groots opgezette apparaat voor de voedselvoorziening functioneerde voor de meeste Nederlanders grotendeels onzichtbaar. Waar consumenten mee te maken hadden, was de distributie, een minutieus uitgewerkte verdeling van de beschikbare voorraden voedsel. In juni 1940 gingen thee, koffie, brood en bloem op de bon, in juli alle vetten, in september vlees, in november eieren, koek en gebak.

Een uitgebreid distributieapparaat op basis van bonkaarten werd opgezet, waarvoor Provinciale Voedselcommissarissen en Plaatselijke Bureauhouders werden aangesteld. Winkeliers moesten de bonkaarten opplakken en opsturen naar de Provinciale kantoren, waar ze werden versnipperd; van de pulp werden weer nieuwe bonkaarten gemaakt. De distributie was een ingewikkelde, omvangrijke maar redelijk goed lopende organisatie. Alles bijeen waren 20.000 mensen bij de voedselvoorziening werkzaam. Een belangrijke schaduwzijde van deze ordelijke werkwijze bleek het feit dat bonnen alleen werden toebedeeld aan houders van stamkaarten die op basis van het bevolkingsregister waren verstrekt. Daardoor vielen onderduikers in principe buiten het systeem.

De detailhandel verzette in het kader van de distributie veel werk. Ze bleef merkwaardigerwijs ook adverteren, net als de producenten. De concurrentie zette zich voort, distributie en schaarste ten spijt. Bedrijven in de productie- en distributieschakels spanden zich in om consumenten over te halen tot besteding van de distributiebonnen aan hun artikelen en in hun winkels. De grote variatie in grondstoffen en producten binnen de voedingsmiddelenindustrie had tot gevolg dat de overheidsmaatregelen per bedrijf aanzienlijk konden verschillen; zo kreeg het bedrijf Nutricia, dat babyvoeding en dieetvoeding produceerde, de status van onmisbaarheid.


Surrogaten

Behalve met beperkende overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld in het geval van de margarine-industrie, kregen bedrijven echter ook te maken met toenemende tekorten aan grondstoffen. De omvang van het assortiment nam af en het ene na het andere merkartikel verdween uit de winkel. Bedrijven waren inventief in de ontwikkeling van vervangingsmiddelen en surrogaten. In plaats van koffie kwam er weer cichorei en rogge op de markt om te branden.

Waar vetten als grondstof ontbraken, kwamen surrogaten op basis van melkeiwitten, zoals Calvé-wit. Daarnaast waren kunstjus en kunsthoning verkrijgbaar gebaseerd op synthetische zoetstoffen, terwijl gecondenseerde melk, waar geen markt meer voor was, room verving. Het grondstoffenprobleem werd in 1943 echter zo groot dat ook weipoeder, taptemelkpoeder, erwtenmeel en andere surrogaten op de bon gingen. Ook de verpakking van voedingsmiddelen leverde grote problemen op; zo ging de zuigelingenvoeding in bierflessen.


Conclusie

De voedingsmiddelenindustrie zakte desondanks langzamer in dan de meeste andere industrieën; de sector produceerde in 1944 nog veertig procent van haar vooroorlogse volume, maar omdat er minder werd uitgevoerd bleef er meer beschikbaar voor de Nederlandse bevolking dan in 1939. De prijzen stegen wel, maar niet zo sterk als in de Eerste Wereldoorlog. De distributie betekende ook lange rijen bij de kantoren, de winkels en andere verkooppunten van levensmiddelen. Hoewel zwarte handel bestond en de bezetter aanspraak maakte op zeer royale rantsoenen, bijvoorbeeld viermaal zoveel vlees, aardappels, eieren, boter en vis als Nederlanders kregen toebedeeld, moet de conclusie zijn dat het voedsel in de eerste vier oorlogsjaren tamelijk eerlijk is verdeeld en er geen ernstige tekorten zijn opgetreden.[43]


'Transport als essentiële factor'

De hongerwinter was een gevolg van het afsnijden van de aanvoerlijnen van het voedsel naar het westen van het land, vooral de grote steden. Deze belemmering van het transport, dat voor de voedselvoorziening onmisbaar was, volgde als represaillemaatregel van de Duitsers op de spoorwegstaking van 17 september 1944. Deze was afgekondigd door de regering in Londen als drukmiddel ter ondersteuning van een offensief van maarschalk Montgomery. Er ontstonden tekorten aan steenkolen, vetten, melkpoeder, gedroogd ei en vlees.

Op 30 april maakten voedseldroppings een einde aan de hongersnood in West-Nederland. Het duurde echter nog tot 9 mei voordat men kon beginnen met de distributie van dit voedsel.[44] De fundamentele rol van transport voor de voedselvoorziening in de modern-industriële samenleving kan niet duidelijker worden geïllustreerd dan door de hongerwinter.